![]() |

|
|
|
Voedsel behoort, net als kleding en onderdak, tot de primaire levensbehoeften van de mens. Dat gold ook voor de inwoners van Dorestad. Hoe kwam de bevolking aan voedsel? Wat werd er gegeten en hoe werden de maaltijden bereid? Er zijn schaarse teksten waarin informatie over voeding en voedingsgewoonten te vinden is. Het beeld dat uit de schriftelijke bronnen naar voren komt, wordt in grote lijnen door archeologische opgravingen bevestigd. Vooral het onderzoek van afvalkuilen en putten heeft ons veel informatie over eetgewoonten verschaft. Daarin worden naast scherven aardewerk de resten van maaltijden gevonden, zoals pitten, botten en graten.
Archeologisch onderzoek |
|
![]() |
Maaltijdscene op het 'Tapijt' van Bayeux |
![]() |
Schriftelijke bronnen Er is in vroegmiddeleeuwse bronnen maar weinig over voedsel te vinden. Een enkele keer vinden we enkele details, zoals in het Frankische gewoonterecht dat aan het begin van de zesde eeuw als de Salische Wet werd vastgelegd. Daarin komen we appel- en perenbomen tegen waarvan beschadiging met geldboetes bestraft werd. Dat gold ook voor het toebrengen van schade aan gewassen op het akkerland. In de ‘Voorschriften van de domeinen’ van Karel de Grote kunnen we een idee krijgen welke producten er verbouwd werden: Wij bepalen dat onze beheerders de volgende gewassen moeten verbouwen: lelies, rozen, rolklaver, salie, augurken, komijn, meloen, rozemarijn, karwei, anijs, heliotroop, venkel, andijvie, kruizemunt, wortelen, pastinaken, spinazie, kool, uien, knoflook, meekrap. Van de vruchtbomen moeten gekweekt worden: verschillende appel- en perenbomen, mispels, tamme kastanjes, perziken, hazelnoten en verschillende soorten kersen.
![]() Verder vinden we in deze voorschriften nog een keur aan landbouwgewassen, zoals artisjok, komkommer, koolraap, mint, peen, peterselie, prei, radijs, selderij, ui, erwten en bonen, om er maar enkele te noemen. De belangrijkste graansoorten waren gerst, rogge en spelt. Daarnaast treffen we soms ook haver en tarwe aan. Veel van dezelfde cultuurgewassen worden ook in een inventarisatie uit 812 van het domein Asnapium bij Rijsel genoemd. Behalve de vermelde graansoorten treffen we groenten aan, zoals kool, ui, prei en knoflook; peulvruchten, zoals erwten, paardenbonen en tuinbonen en kruiden, zoals peterselie, munt en selderij.
Agrarische productie
|
|
![]() |
weergegeven in het Utrechts psalter |
Akkerbouw Akkers werden geploegd met eenvoudige ploegen die vaak niet meer deden dan oppervlakkige groeven in de grond trekken. Oorspronkelijk hadden ze een slechts een houten schaar die de grond open snijdt. Ze worden eergetouwen genoemd, in tegenstelling tot ploegen die een voorziening hebben om de grond te keren. Uit Dorestad zijn ook ijzeren ploegscharen bekend. Door ploegen ontstaan vanzelf langwerpige akkers met rechte zijden, die na jarenlang gebruik van elkaar zijn gescheiden door lage wallen. Akkers werden bemest met stalmest, huisvuil en resten van haard- of ovenvuren. Door vee op stoppelvelden te laten grazen, werd deze meteen bemest. Hoewel de zeis al onder invloed van de Romeinen in Noordwest-Europa werd gebruikt, werd graan in de vroege middeleeuwen nog steeds met een sikkel geoogst. In de bodem van Wijk bij Duurstede zijn graankorrels uit Dorestad aangetroffen van rogge, gerst, haver en tarwe. Daarvan kon men zowel pap bereiden als brood bakken. Gerst was verreweg de meest gebruikte graansoort. Gepelde gerst werd geweekt en tot gortepap verwerkt of er werd bier van gebrouwen. |
|
![]() Oesdop, een dop aan een lus van het halsstuk van een trekdier. Deze oesdop is gemaakt van de kop van een dijbeen van een rund. |
![]() verdeling van de resten van dieren in Dorestad Vleesconsumptie Door de vele teruggevonden botten van geslachte dieren te bestuderen, krijgen we een beeld van de vleesconsumptie van de bevolking van Dorestad. Dieren werden op het erf geslacht. Grotere delen werden vervolgens binnenshuis uitgebeend. Een klein deel van het slachtafval werd voor de productie van benen voorwerpen gebruikt, maar de meeste botten werden weggegooid. Tandafdrukken in beenderen verraden dat honden een deel van het slachtafval opgeruimd moeten hebben. In de bodem van Wijk bij Duurstede zijn resten van runderen, varkens, schapen, geiten, paarden, kippen, eenden en ganzen aangetroffen. Verreweg de belangrijkste vleesproducenten waren runderen, varkens en schapen. Resten van deze dieren maken het grootste deel van de vondsten uit. Meer dan de helft daarvan is van runderen. Schapenvlees werd het minste gegeten. Nog zeldzamer zijn de teruggevonden beenderen van paarden uit Dorestad. Anders dan tegenwoordig werd het vet van dieren hoger gewaardeerd dan het vlees. Vet was dan ook veel kostbaarder dan vlees. |
Runderen Bijna de helft van de teruggevonden botten uit Dorestad is van runderen afkomstig. Deze dieren werden vooral voor hun vlees en vet gehouden. Bovendien leverden ze huiden, hoorn en beenderen. Vrijwel alle runderen waren minstens anderhalf jaar oud voordat ze geslacht werden, vaak werden ze ouder dan drie jaar. Blijkbaar werd er geen kalfsvlees gegeten. De helft van de aangetroffen runderbotten is van mannelijke runderen afkomstig. Vrijwel alle stieren werden jong gecastreerd om als trekos dienst te doen. Deze dieren speelden een belangrijke rol op de boerderij. Hoewel er in Dorestad boerderijen met stalruimte gevonden zijn, wil dat nog niet zeggen dat alle geslachte runderen uit deze plaats afkomstig waren. In de wijde omgeving nam veeteelt een vooraanstaande positie in. ![]() |
|
![]() |
Varkens, schapen en geiten Varkens waren belangrijke vleesleveranciers die bijna een derde van het vlees voor de bevolking van Dorestad verschaften. Soms werden ze in het najaar de eikenbossen in gedreven, waar ze in de herfst en de winter eikels en andere vruchten aten. De rest van het jaar scharrelden ze op het erf of door de nederzetting waar ze van allerlei afval leefden. Hun snuit was veel puntiger dan van moderne varkens. Misschien kruisten ze af en toe met wilde zwijnen als ze 's winters door de bossen trokken. Door de grote schade die varkens al wroetend konden aanrichten, werd het gebruik van domeinbossen op den duur gereguleerd. Schapen en geiten zijn aan de hand van de meeste skeletdelen niet van elkaar te onderscheiden. Alleen bij sommige delen, zoals opperarm- en middenvoetsbeenderen lukt dat wel. Daaruit is afgeleid dat geiten maar sporadisch in Dorestad voorkwamen. Van schapen zijn veel meer botten teruggevonden. Daaruit blijkt dat ongeveer 10% van de vleesconsumptie door deze dieren werd geleverd. Bovendien waren schapen de belangrijkste producenten van melk. Jonge dieren werden zelden geslacht. Lamsvlees werd blijkbaar nauwelijks gegeten. |
|
|
Zuivelproductie In de vroege middeleeuwen werd volop boter en kaas geproduceerd. De melk daarvoor werd over het algemeen door schapen en geiten geleverd en niet door koeien. Boter werd bereid door een ronde houten schijf met doorboringen aan een stok in een karnton met melk op en neer te stoten. Als de boter op was, werd er olie of dierlijk vet gebruikt. Kaas werd in geperforeerde keramische kaasvormen bereid. Door de teruggevonden exemplaren van deze vormen weten we dat kazen tamelijk klein en plat waren. |
![]() |
|
|
Vis In de vroege middeleeuwen was vis in onze waterrijke streken een belangrijke aanvullende voedselbron. Aan de hand van teruggevonden visafval en schelpen zijn we het nodige te weten gekomen over vis- en weekdierconsumptie in Dorestad. Er zijn resten van enige tientallen vissoorten teruggevonden die als slachtafval waren achtergelaten. Daarbij waren nogal wat zoetwatervissen, zoals snoek, meerval en baars. Maar ook soorten die van zout naar zoet water trekken, zoals paling, zalm en steur werden regelmatig aangetroffen. Het beeld dat we door deze visresten hebben, wordt nog aangevuld door de vondsten van vissersbenodigdheden, zoals vishaken, van riet en biezen gevlochten korven, fuiken en kubben en vooral een heleboel netverzwaarders. Die waren meestal van gebakken klei, maar natuurstenen exemplaren komen ook wel voor. In de haven van Dorestad werden naast de resten van uit wilgentenen gevlochten visfuiken ook viskaren aangetroffen. Dat waren manden die in het water gehangen werden om de gevangen vis levend te houden. Dat was vooral van belang voor zeevis die van enige afstand aangevoerd moest worden. |
Maalstenen Graan werd soms in vijzels verwerkt, maar meestal met een handmolen tot meel gemalen. Zo'n handmolen bestond uit twee op elkaar passende ronde maalstenen, de ligger en de loper. De loper werd met een zwengel over de ligger rondgedraaid. De stenen moesten van een materiaal gemaakt zijn dat ook na langdurig gebruik ruw bleef. Daarom werden die uit basaltlava vervaardigd dat daarvoor precies de goede eigenschappen heeft. Dit gesteente werd in het Laagerseegebied in het Eifelgebergte gewonnen. Het werd al in de buurt van de groeves tot halffabricaat gevormd om de transportkosten zo veel mogelijk te drukken. Op de plaats van bestemming werden de ruw gehakte maalstenen tot eindproduct verwerkt die we in alle bekende handelsplaatsen terugvinden. Als we uitgaan van de aangetroffen fragmenten, moet er ook heel wat maalstenen naar Dorestad zijn verscheept. Waarschijnlijk was er in ieder huishouden wel een handmolen te vinden. Brokstukken van versleten maalstenen zijn overal in Dorestad teruggevonden. Fragmenten die geen slijtage vertonen, kunnen echter als verwerkingsafval beschouwd worden. Concentraties daarvan in het havengebied van Dorestad verraden dat er steenhouwers actief waren die de ruwe halfproducten voor gebruik geschikt maakten. Tijdens het malen kwam er nogal wat gruis van de maalstenen in het meel terecht en dat veroorzaakte overmatige slijtage van tanden en kiezen. |
|
Dranken Het eten werd meestal met bier weggespoeld, maar er werd ook wel appelcider en bij feestelijke gelegenheden werd er soms mede gedronken. Bier was doorgaans ongemout, dun bier met een laag alcoholgehalte. Bier met een hoger percentage alcohol werd voor feesten gereserveerd, net als mede, een gegiste drank op honingbasis. Bier was de belangrijkste drank. Arabische bronnen noemden het gerstenat. In de 'Havamal' uit de Edda wordt gewaarschuwd dat te veel bier de geest benevelt. 'Wees vooral voorzichtig met bier en andermans vrouw.' Daarnaast werd karnemelk en wei gedronken. Water was nauwelijks geschikt voor consumptie omdat de kans op infectieziekten groot was, ook al werd er uit speciale waterputten op de huiserven getapt. Toch raakten die door slechte hygiënische omstandigheden vervuild, want afwateringsgreppels binnen de nederzetting waren in feite open riolen. |
Opslag en conservering In de zomer was er over het algemeen voldoende te eten. Direct na de oogst en de slacht was er gedurende een korte periode voedsel in overvloed. Daarbuiten moesten voedingsmiddelen bewaard worden. Er werden opslagkuilen gebruikt die zo goed mogelijk van de buitenlucht werden afgesloten. Bijkomend voordeel was dat de inhoud verborgen bleef voor de begerige blikken van dieven en rovers. In Dorestad zijn dergelijke kuilen in en rond woonstalhuizen gevonden. Kleine hoeveelheden graan konden in manden, zakken of aardewerk potten opgeslagen worden, maar bleven desondanks gevoelig voor knaagdieren. Soms werd voedsel in zakken bewaard die opgehangen werden. Voor grotere hoeveelheiden landbouwproducten die na de oogst vrijkwamen dienden schuren en spiekers, speciale opslagplaatsen op palen waar voedsel beschermd werd tegen vocht en ongedierte. Bovendien moest voedsel moest tegen bederf geconserveerd worden. De meest voorkomende methoden waren inzouten en roken. Vlees en vis werd ingezouten, maar ook boter werd met zout beter houdbaar. Dat was wel nodig. Melk was een seizoengebonden product, want 's winters was er geen melk. Om de houdbaarheid te verhogen kon kaas in een zak van textiel gerookt worden, waardoor er een soort 'cottage cheese' ontstond. Roken was een veelgebruikte conserveringsmethode. Vlees en vis werd, aan wilgentenen gestoken, boven een kuil met een houtskoolvuur gerookt. Licht geroosterde graankorrels bleven langer houdbaar. Groenten zoals wortels, kool, komkommers konden worden ingelegd in tafelzuur, bijvoorbeeld azijn of wei. Soms werd een dun laagje bijenwas gebruikt om de houdbaarheid van groenten en fruit te verbeteren. |
|
Voedselbereiding De helft van het koken was het stoken. Het haardvuur was dan ook de spil van alle werkzaamheden. Die bevond zich midden in de woonruimte, een afzonderlijke keuken was er niet. Rond dat vuur werd het voedsel bereid. Tijdens het koken was de haardplaats dan ook omringd met allerlei zaken, zoals ijzeren messen, houten lepels, aardewerk potten, houten borden en planken, houten emmers, kommen, troggen om te kneden. Vrouwen zorgden voor de maaltijd. Ze maalden het graan tot meel en kneedden het deeg in houten troggen. Ze sneden vlees en groenten op houten plankjes en kookten in aardewerk kogelpotten die eeuwen lang de standaard kookpotten waren. Kogelpotten werden aanvankelijk door de gebruikers zelf met de hand gevormd, maar op den duur werd de productie overgenomen door plaatselijke beroepspottenbakkers. Soms werden professionele kogelpotten van verder weg aangevoerd. Vlees werd aan een spit of in de gloeiende resten van het vuur geroosterd. Soms werd vlees in een kuil op gloeiende as gelegd en met bladeren afgedekt. Potten werden boven het vuur opgehangen aan een touw dat aan een balk was bevestigd.
|
Brood Even een broodje halen bij de bakker op de hoek was er niet bij. De mensen bakten hun eigen brood in een broodoven. Die was opgebouwd uit leem dat over een vlechtwerk van wilgentwijgen was gesmeerd. Eerst werd de oven met een houtvuurtje heet gestookt. Vervolgens werden de brandresten verwijderd en werden hompen deeg in de oven gelegd waar ze door de hitte van de wanden van de oven gebakken werden. Ook werden er wel kuilen met stenen of leem bekleed. Dergelijke constructies zijn echter niet in Dorestad gevonden. Brood werd met zuurdeeg gebakken en niet met gist, zoals tegenwoordig gebruikelijk is. Daardoor moest brood dagelijks gebakken worden, want ongedesemd (ongerezen) gerstebrood moest gegeten worden voordat het afgekoeld en keihard was. |
![]() | ![]() |