![]() |

|
|
politieke context
|
Na de dood van Karel Martel in 741 traden zijn zonen Karloman en Pippijn de Korte in zijn voetsporen als hofmeiers van de Merovingische koning. Nadat Karloman in 747 in een klooster was getreden en zijn gebieden aan zijn broer had nagelaten werd Pippijn oppermachtig in het Frankische Rijk. Gesteund door de paus trok hij de macht volledig aan zich en zette de laatste Merovingische marionettenkoning Childerik III af. Met de toenemende macht van Pippijn was de ster van Bonifatius hoog gerezen. In 732 was hij als aartsbisschop van Mainz aangesteld en als pauselijke legaat heeft hij in samenwerking met Pippijn ingrijpende kerkhervormingen doorgevoerd.
Immuniteit
|
|
| Uit: Oorkonde van Lodewijk de Vrome uit 815 | Tevens wordt bepaald dat alle mannen
van de kerk van Utrecht onder de voogdij en bescherming van die
kerk staan, ook op de oeverzones in Dorestad. Niemand mag zich belastingen toe-eigenen of innen,
kooplieden tegenhouden die hun oeverzones willen betreden, zich zonder hun toestemming in hun woningen
vestigen en voor of na hun dood hun goederen ontnemen. Men dient degenen die zich op dat tiende deel en
onder voogdij van de Sint-Maartenskerk bevinden op geen enkele wijze bij welke gelegenheid dan ook
schade te berokkenen. Ook rijksgemachtigden mogen uit dit tiende deel niets ontvangen of onrechtmatig
ten behoeve van de fiscus wegnemen, zoals ze dat ook nooit van de negen tiende delen zouden hebben
ontvangen of weggenomen. |
|
De Utrechtse goederen in Dorestad bleken nu te zijn omgezet in een geografisch begrensd gebied dat zich op de rivieroevers bevond. Van dit als handelszone op te vatten areaal ontving de kerk de volledige opbrengst. Het afgebakende gebied werd niet nader aangeduid, maar door de ligging van latere bezittingen weten we dat we die in de noordelijke havenwijk moeten zoeken. Daar bleek de Utrechtse kerk in de late middeleeuwen een domeinhof nabij de Steenstraat en een agrarisch goederencomplex direct ten noordwesten van het laatmiddeleeuwse stadje Wijk in handen te hebben die op vroegere bezittingen teruggaan. In de late middeleeuwen komen we deze kerkelijke goederen vooral op de Heul en in de Noorderwaard tegen, dus in de oorspronkelijke noordelijke handelswijk. Lodewijk de Vrome specificeerde bovendien de onschendbaarheid van de bewoners van het territoir dat in handen van de Utrechtse kerk was. Koninklijke ambtenaren dienden degenen met rust te laten die op de rivieroevers van Dorestad onder bescherming van de Utrechtse kerk stonden. Dat konden onvrije handelaren of ambachtslieden zijn, 'mannen van de kerk' werden ze genoemd. Maar ook vreemdelingen konden afmeren zonder dat ze een afdracht aan de vertegenwoordiger van de koning verschuldigd waren. Blijkbaar werden er door de handelshuizen in Dorestad vaste persoonlijke handelscontacten met andere kooplieden onderhouden. Zo'n vreemdeling vond onderdak en opslagruimte bij zijn handelspartner. Deze gang van zaken werkte de langwerpige vorm van nederzettingen als Dorestad in de hand, want hierdoor moest er veel kaderuimte beschikbaar zijn. De uitbreidingen in de rivierbedding moeten dan ook een welkome aanvulling van de beschikbare ruimte geweest zijn.
De Bovenkerk |
|
![]() | ![]() |
|
|