Dorestad

onthuld
Textielproductie

Startpagina

vilten lap


In de vroege middeleeuwen behoorden textielwerkzaamheden, zoals spinnen en weven tot de meest voorkomende huisnijverheid. In vrijwel ieder huishouden maakte men zelf kleding, beddengoed en ander textiel. Originele stukken textiel zijn uiterst zeldzaam, omdat stoffen nu eenmaal in de bodem vergaan. Alleen onder uitzonderlijke omstandigheden blijft er af en toe wel eens een stukje bewaard. Ondanks uitgebreide opgravingen zijn er maar een handvol fragmenten textiel uit Dorestad teruggevonden.
Wel geven andere zaken, zoals de vele spinklosjes, weefgewichten, wolkammen, naalden en bandweefkaartjes een goede indruk van de uitgebreide ambachtelijke textielnijverheid die Dorestad eens gekend heeft.

Schapen scheren
Al in de Steentijd werd wol, voornamelijk afkomstig van schapen maar soms ook van geiten, voor textielproductie benut. Wol heeft uitstekende warmte-isolerende eigenschappen en is – beter dan plantaardige vezels – rekbaar en daardoor zeer geschikt als grondstof voor kleding. Vondsten van textielresten zijn vrijwel altijd onder invloed van chemische stoffen in de bodem bruin gekleurd. Laboratoriumonderzoek heeft echter uitgewezen dat de oorspronkelijke stoffen verschillende kleuren konden hebben. De wol van witte vachten werd vaak gekleurd, terwijl bruine en zwarte wol ongeverfd bleef. Witte wol kwam echter betrekkelijk weinig voor. De meeste kleding was dan ook bruin of zwart, geverfde kleding gold als luxe. In de vroege middeleeuwen waren schapen veel kleiner dan tegenwoordig. Daardoor produceerden ze veel minder wol. Schapen werden niet alleen maar geschoren, ruiende schapen werden ook geplukt.


Sorteren en wassen
Na het scheren werd de wol op kwaliteit gesorteerd en in water gewassen, waardoor het meeste vuil verwijderd werd. Vervolgens werd de wol te drogen gehangen. Daarna werd de gereinigde wol gevlaakt, met dunne twijgen geslagen, om kleine pluisjes en nog achtergebleven verontreinigingen, zoals zand en stro, te verwijderen.
Om wolvezels van verschillende lengte goed te verdelen en te ordenen moest de wol gekamd worden voordat deze geschikt was om gesponnen te worden.

Spinnen
Door gekamde wolvezels tot een draad te trekken en in elkaar te draaien ontstaat een garen. Dit proces wordt spinnen genoemd. In de vroege middeleeuwen werd dit met behulp van een spintol gedaan. Die bestaat uit een rond stokje waarover een spinklosje is geschoven. De spintol hangt aan een draad waaraan telkens een plukje wol wordt toegevoegd. Door de spintol te laten draaien worden de wolvezels in elkaar gedraaid en ontstaat een sterke draad, het garen. Als deze draad te lang wordt, wordt deze op het stokje van de spintol gewonden.


De spintol werd in Europa in de volle middeleeuwen verdreven door het spinnewiel. Maar in verschillende delen van de wereld worden nog steeds spintollen gebruikt.

S- en Z-draden
De draad kon linksom (S) of rechtsom (Z) gesponnen worden. Rechtshandigen spinnen meestal rechtsom. Een combinatie met een schering van S-draden en een inslag van Z-draden, of andersom, resulteert in een weefsel dat niet gaat trekken. Soms werden voor de schering- en inslagdraden verschillende kleuren wol van lichte en donkere vachten gebruikt om een decoratief effect te bereiken.
Wanneer een extra sterk garen moest worden gemaakt, konden twee draden in elkaar worden getwist. Dan werden bijvoorbeeld twee Z-draden linksom in elkaar gedraaid. Maar meestal werden enkelvoudige draden gebruikt. Die konden met beenderlijm behandeld zijn, zodat deze toch de benodigde sterkte hadden om bijvoorbeeld als kettingdraad te dienen.

benen wolkam


Spinklosjes
Overal in Dorestad zijn spinklosjes teruggevonden. Een spinklosje is een rond voorwerp dat de spintol massa moet geven, zodat deze zo lang mogelijk blijft draaien. Spinklosjes dienden dus als vliegwiel. Ze werden in verschillende vormen en materialen uitgevoerd. De meeste vroegmiddeleeuwse exemplaren zijn biconisch, maar schijfvormige en ronde vormen komen ook voor. Hoe ze ook werden uitgevoerd, er zit altijd een centraal, meestal taps toelopend gat in om het stokje van de spintol door te voeren. Spinklosjes uit Dorestad zijn meestal van been en soms van aardewerk. Een enkele keer komen we een exemplaar tegen dat van barnsteen of lood is gemaakt.

Weven
Van de gesponnen garens werden stoffen geweven. Voor grotere stukken textiel gebeurde dat op een staand weefgetouw dat schuin tegen een wand werd geplaatst. Zo'n verticale weefstoel bestond uit twee staanders waarover een ronde kettingboom liep waarop de geweven stof kon worden gewonden. Hieraan hingen de kettingdraden die door weefgewichten strak werden gehouden. Tussen de kettingdraden door werden de inslagdraden geweven.
De meeste teruggevonden textielfragmenten waren vrij grof en met een eenvoudig patroon geweven en zijn vermoedelijk resten van kleding en beddengoed die zowel gefabriceerd als gebruikt werd door de gewone bevolking.
mogelijk werden deze benen pennen gebruikt om de inslagdraden vast te slaan

 


Kaartweven
Smalle stroken textiel, zoals banden, werden met behulp van bandweefkaarten geweven. Dat zijn vaak benen plaatjes waar gaten in zitten om kettingdraden door te voeren. In deze kaarten zitten gaten waar de kettingdraden doorheen worden geleid. Door verschillende kaarten een kwart slag te draaien ontstaat ruimte tussen de kettingdraden, waar de inslagdraden doorheen worden geweven. Door bepaalde kaarten regelmatig te draaien ontstaan decoratieve weefpatronen.

benen bandweefkaartje


Weefgewichten
Het hout van het weefgetouw en de gebruikte garens blijven vrijwel nooit bewaard in de bodem. Dat geldt wel voor de gebruikte weefgewichten die meestal bestonden uit een homp gebakken klei met een gat om deze aan de kettingdraad te rijgen.
In Dorestad zijn naast tientallen complete exemplaren vele honderden brokstukken teruggevonden. De verspreiding daarvan vertelt ons dat er vrijwel overal geweven werd waar mensen woonden. Blijkbaar behoorde weven, evenals spinnen, tot de algemeen bedreven huisvlijt, hoewel er waarschijnlijk ook gespecialiseerde weefsters in Dorestad actief waren.
verschillende soorten weefgewichten van gebakken klei

kaardenbollen waarmee de stof werd opgeruwd


Nabewerking
De geweven stof kon in een vat of kuil met urine en vet geslagen of met de voeten betreden worden om het weefsel stevig en compact te maken. Deze bewerking wordt vollen genoemd. Daarna werd de stof grondig schoongespoeld.
Soms werd de stof met kaardenbollen opgeruwd, waarbij haartjes uit het weefsel werden getrokken.
De meeste textiel werd van donkerbruine of zwarte wol geweven en niet geverfd. Maar stoffen die voor de elite bedoeld waren werden vaak wel gekleurd. Volgens de geestelijke kroniekschrijver Notker ‘de Stotteraar’ droeg Karel de Grote dagelijks mantels die wit of blauw waren, ‘zoals de Franken die vanouds droegen’.
De blauwe kleurstof werd uit de bladeren van de wede getrokken, een gewas dat speciaal voor dit doel gekweekt werd. Rode kleurstof werd gewonnen uit de meekrap, een plant die door Friese kooplieden in noordelijke streken geďntroduceerd werd. Vermoedelijk ontdekten zij deze plant, die ook goed in onze kustgebieden gedijt, op de markt van Saint-Denis.
Wede
Stoffen werden blauw gekleurd met wede, een plant zoals mosterd of koolzaad met ongeveer dezelfde gele bloemetjes. Toch leverde wede door gisting de gewenste blauwe kleurstof indigo. De stoffen werden in het eerst nog gelige product van het gistingsproces geweekt. Maar eenmaal aan de lucht blootgesteld veranderde het groengelige natte doek door oxydatie in een blauw weefsel.

Meekrap
Belangrijke leverancier voor rode kleurstof was de meekrap, een sterbladige plant die oorspronkelijk uit de Levant werd ingevoerd, maar ook in onze streken uitstekend wilde groeien. Vooral Zeeland was er bekend om. Er zijn echter geen aanwijzingen dat deze plant al in de vroege middeleeuwen bij ons verbouwd werd.

Strijkglazen werden gebruikt om stoffen glad te strijken of te polijsten, een soort voorlopers van het strijkijzer dus. Strijkglazen zijn in Volendam en Marken tot in onze tijd in gebruik gebleven om gesteven klederdrachtmutsen koud te strijken. De exemplaren uit Dorestad (negende eeuw) zijn van glas en been.


Het eindproduct
Geweven stoffen werden aaneen genaaid tot allerlei eindproducten. In de Nederlandse bodem zijn de resten teruggevonden van mutsen, hoofddoeken, wanten, mouwen en andere delen van kleding, fragmenten van kussens, gordijnen, wandkleden, beddenspreien en waarschijnlijk ook scheepszeilen. De stiksels vertonen meestal tamelijke grove steken met een sterk garen van 1 tot 2 mm dikte. Dat komt overeen met de naalden die corresponderende ogen hebben.
Vaak worden er reparaties en tekenen van hergebruik aangetroffen, een teken dat textiel kostbaar was. Lappen textiel werden net zolang gerepareerd en steeds weer voor allerlei doeleinden gebruikt totdat ze letterlijk tot op de draad versleten waren.

Professionele textielproductie
Spinnen en weven was bij uitstek geschikt voor huisvlijt. Toch werd in sommige gevallen de textielproductie meer grootschalig aangepakt. Op enkele grote domeinen van grootgrondbezitters verrichtten vrouwen in werkhuizen textielwerkzaamheden, zoals spinnen, weven en het verven van de geweven stoffen. Dergelijke grootschalige nijverheid vond vooral in en bij de grote abdijen plaats. Waarschijnlijk was er ook in Dorestad professionele textielproductie te vinden, maar de archeologische aanwijzingen daarvoor zijn mager.

Capitulare de villis
Naast abdijen waren er koninklijke domeinen waar relatief grootschalige textielproductie plaatsvond. In de Capitulare de villis (Bepalingen voor de domeinen) die Karel de Grote rond 800 voor koninklijke landgoederen verordende, werden allerlei benodigdheden voor spinnen en weven opgesomd:

Voor onze werkvrouwen dienen bijtijdig de vereiste benodigdheden volgens voorschrift ter beschikking te worden gesteld, te weten vlas, wol, wede, meekrap, wolkammen, kaardenbollen, zeep, vet, vaten of overige toebehoren die eveneens benodigd zijn.


Fries laken
Friese wollen stoffen waren befaamd om hun kleur en fijne weefsels. Het Friese laken was van een zodanig hoge kwaliteit dat Karel de Grote een pallium Fresonicum, een Friese mantel, op een diplomatieke missie als geschenk aan Haroen-al-Rasjid, de kalief van Bagdad, meegaf. Het Friese laken was van nature grauw, maar werd in de regel geverfd met onder meer rode en blauwe kleurstoffen.
De vele spinklosjes en weefgewichten die bij tal van boerderijen zijn aangetroffen, getuigen van de textielwerkzaamheden die in het Gronings-Friese terpengebied werden verricht. De stoffen werden door de terpbewoners geweven, zoals vondsten van textielfragmenten en stukjes van dezelfde onbehandelde wol aantonen.
Vroege textielfragmenten uit onze streken zijn meestal van bruine of zwarte wol en ongeverfd, terwijl het Friese laken juist om zijn kleur bekend stond. Vermoedelijk was het Friese laken dan ook niets anders dan een kwalitatief hoogwaardige stof die door Friese kooplieden verhandeld werd.

Begin van de pagina

Startpagina