Dorestad

onthuld
Schepen

Startpagina

 

 

een platbodem tijdens de opgraving in de Utrechtse Waterstraat in 1974

In de ondiepe getijdenwateren in het kustgebied waren platboomde Friese waddenvaartuigen heel doelmatig, maar op de rivieren voeren vooral dieper stekende protohulken met een ronde bodem die de haven van Dorestad aandeden. Er voeren in onze contreien vier typen schepen: platboomde rivierschepen, protohulken, kielschepen en koggen.

Platboomde rivierschepen
De eenvoudigst geconstrueerde schepen waren geheel uit planken opgebouwde platbodems die al in de eerste eeuwen van de jaartelling op onze binnenwateren voeren. Met een platte bodem, een nagenoeg rechthoekige vorm, een licht oplopende heve - het vlak aan de voor- en achterkant - en een hoekige overgang naar de enigszins uitstaande boorden waren deze vaartuigen bijzonder geschikt om vrachten over onze langzaam stromende rivieren te vervoeren. Door de oplopende heve konden deze aakachtige rivierschepen eenvoudig op een oever lopen, terwijl daardoor ook makkelijker vrachten geladen en gelost konden worden. Het waren robuuste vaartuigen en vrachtvervoerders bij uitstek: hele karrenvrachten, konden er mee vervoerd worden, soms met kar en al. Bovendien konden deze platbodems goed als veerboot voor mens en dier ingezet worden.

 

 

 

detail van de verbinding van een boordgang en een kimgang

het voorschip van het 'Utrechtse schip' in het Centraal Museum in Utrecht. Het mastgat in een van de ribben is duidelijk zichtbaar

 

 

een protohulk legt aan
in de haven van Dorestad
(tekening Arne Zuidhoek)


 

Protohulken
Volledig afwijkend van deze platbodems zijn protohulken waarvan het eerst gevonden exemplaar bekend staat als het 'Utrechtse schip', maar waarvan inmiddels delen van minsten zeven andere exemplaren zijn gevonden. De bodem is gemaakt van een kolossale uitgeholde eik die op het eerste gezicht een nogal massieve indruk maakt. Toch is de wand maar vier tot zes centimeter dik, waardoor de bodem zich tijdens de bouw met betrekkelijk weinig moeite in de gewenste vorm liet uitbuigen. De boorden zijn opgeboeid (verhoogd) met drie forse huidgangen - midscheeps meer dan een halve meter breed, waarvan de middelste halfrond is. Een dergelijke verdikking geeft de romp niet alleen de nodige sterkte en stijfheid, maar verhoogt ook de zijdelingse stabiliteit. Samen met een verhoogde boeg maakte deze stabiliteit protohulken redelijk zeewaardig. De in lengterichting gekromde romp maakte het schip bovendien zeer geschikt om op een rivierstrand gezet te worden. De protohulk was dan ook hét schip voor havenplaatsen zoals Dorestad en Quentovic. Geen wonder dat we dit vaartuig op zilveren munten terugvinden die in deze plaatsen geslagen zijn.

boeren manoeuvreren platbodems in het rivierengebied
(tekening Arne Zuidhoek)

 

 

het 'Utrechtse schip' tijdens de opgraving in 1930


 

Kielschepen
Hoewel protohulken naar Engeland konden varen, waren kielschepen die volgens een Scandinavische traditie gebouwd werden veel zeewaardiger. De naam geeft al aan dat de kiel de constructieve basis van deze schepen vormde. Kiel en stevens vormen de ruggengraat van het schip. Kielschepen waren licht van constructie. Ze werden in de eerste plaats gezeild en waren voor en achter voorzien van een halfdek. Om het manoeuvreren in havens makkelijker te maken, waren op die dekken enige roeiplaatsen ingericht. De dunne huidgangen werden plank voor plank overnaads met ijzeren nagels aan elkaar bevestigd. Daardoor ontstond een flexibele romp die enigszins met de golven kon meebewegen. Nadat de scheepshuid op deze wijze voltooid was, werden er ter versteviging op gezette afstanden spanten in geplaatst. Overal in onze kuststreken of het rivierengebied werden scheepsdelen of klinknagels teruggevonden. Bij het uitgraven van de noordelijke haven van Dorestad werden ook verschillende fragmenten van een kielschip geborgen.

Koggen
Vrachtvaarders konden met protohulken en vooral met kielschepen de Noordzee oversteken, maar deze vaartuigen waren vanwege hun diepgang minder geschikt voor de ondiepe getijdenwateren in onze kuststreken. Daarom hadden Friese schippers een van oorsprong continentaal scheepstype aan deze specifieke omstandigheden aangepast. Ze bouwden kleine waddenschepen die ze koggen noemden en die we op munten uit het begin van de negende eeuw tegenkomen.

overnaadse huidgangen van een kielschip, gevonden in de haven van Dorestad

een drooggevallen kogge
wordt beladen
(tekening Arne Zuidhoek)
Lit.: L. van der Tuuk, De eerste Gouden Eeuw. Handel en scheepvaart in de vroege middeleeuwen (Utrecht 2011)

Deze platboomde vaartuigen met hun vlakke bodems en lage dolboorden konden kreken opvaren en bij eb op de bodem zakken om te laden en te lossen. Ze werden uitgerust met een enkel, dwarsgetuigd zeil en een aan stuurboord geplaatste stuurriem. Met deze schepen konden handelslieden naar Denemarken varen, veilig bereikbaar door de ondiepe lagunes van het waddengebied. Daar ontwikkelde het Friese waddenschip zich onder Scandinavische invloed tot de latere kogge die in de Hanzeperiode een populair vrachtschip in Noordwest-Europa zou worden.

kogge op een Scandinavische munt uit de vroege 9de eeuw
Begin van de pagina

Startpagina