Dorestad

onthuld
Het onderzoek sinds 1842

Startpagina

veldtekening

benen knop
gevonden in de 19de eeuw


In de winter van 1841 op 1842 kwamen er allerlei archeologische voorwerpen te voorschijn bij beendergraverijen in de velden ten noorden van Wijk bij Duurstede. Dat was de aanleiding voor onderzoek dat tot in onze dagen zou duren.

Janssen
In november en december 1842 werd er op de plaats van de beendergraverijen op De Heul archeologisch onderzoek verricht onder leiding van L.J.F. Janssen, conservator van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Janssen werkte systematisch, want hij moest woekeren met het hem toebedachte budget. Bovendien werd alles nog met de hand opgegraven. Nadat een reeks kuilen van twee bij twee meter in een rechte lijn was gegraven, werd de ruimte tussen de kuilen verwijderd. Zo ontstonden enige langwerpige sleuven van twee meter breed. Hoewel de aangetroffen grondsporen nauwkeurig werden aangetekend, kon hij door het geringe opgravingsareaal geen conclusies over volledige plattegronden trekken. Naast opgravingen liet Janssen ook een Landesaufnahme uitvoeren, het rapen van voorwerpen in het terrein om de globale omvang van de nederzetting vast te kunnen stellen.
Zijn onderzoek kreeg een vervolg in 1844 en 1845. De vondsten die hij aantrof, interpreteerde hij als de resten van een zeer belangrijke en omvangrijke vroegmiddeleeuwse nederzetting. Hij publiceerde over zijn bevindingen in twee artikelen en daarmee was de kous af. Want sindsdien werd er in Wijk bij Duurstede geen onderzoek meer verricht. Zelfs toen de beendergraverijen opnieuw van start gingen, werd er vanuit wetenschappelijke hoek niets ondernomen.
Er kwam wel belangstelling vanuit het buitenland. Want in 1880 reisde de Zweedse archeoloog en etnograaf Hjalmar Stolpe, verbonden aan het Statens Historiska Museet in Stockholm, naar Wijk bij Duurstede. Geschokt stelde hij vast dat de Nederlanders druk bezig waren om hun erfgoed op grote schaal te vernietigen. 'Ik had nooit kunnen dromen van zo'n schandalige schending van voor de Nederlandse cultuurgeschiedenis belangrijke overblijfselen als ik daar zag.' Stolpe was de opgraver van Birka, de Zweedse handelsplaats die lange tijd relaties met Dorestad had onderhouden. Hij had sinds 1871 in Birka nauwgezet de grafvelden onderzocht, graf voor graf werd nauwkeurig blootgelegd, waarna de gevonden artefacten werden geconserveerd. Ook had hij delen van de nederzetting zelf onderzocht. In Dorestad trof hij precies dezelfde 'zwarte aarde' aan die hij zo goed kende van zijn eigen opgravingen in Birka.

De meest recente opgravingen werden op de locaties
'Veilingpark' en 'De Geer II' verricht.
w

w

detail van een litho uit een
publicatie over Dorestad
van L.J.F. Jansen

opgravingen in Wijk bij Duurstede:

het onderzochte gebied is oranje aangegeven

het (veronderstelde)
bewoonde gebied is groen aangegeven

L.J.F. Janssen
(1806-1869)

J.H. Holwerda (links)
(1873-1951)


Holwerda
Het archeologische onderzoek in Wijk bij Duurstede werd pas na driekwart eeuw, in 1920 weer opgepakt door J.H. Holwerda, directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Meer nog dan bij het onderzoek van Janssen werden de aangetroffen grondsporen van paalgaten, kuilen en greppels in kaart gebracht. Doordat al het graafwerk met de hand moest gebeuren, konden er slechts in verschillende richtingen proefsleuven worden gegraven. Daardoor kon wel een indruk worden verkregen van de omvang van een nederzetting, maar volledige plattegronden van gebouwen konden zo niet worden gereconstrueerd. Holwerda had een aanzienlijk groter budget dan Janssen destijds tot zijn beschikking had. Zijn opgravingscampagnes duurden tot 1928, gedurende welke tijd hij vele sleuven door het terrein heeft gegraven.
Holwerda meende op de plek, waar later een grafveld werd blootgelegd, een Karolingische curtis, de versterkte hof van de plaatselijke vertegenwoordiger van de koning, te hebben aangetroffen. Maar dit bleek toch teveel wishfull thinking. De door hem aangetroffen grondsporen behoorden allen tot het grafveld.

Halbertsma
Na Holwerda belandde het onderzoek weer in een sluimertoestand. Over Dorestad werd niets gepubliceerd, laat staan dat er gegraven werd. Tijdens de Duitse bezetting verrichtte J.G.N. Renaud van de Monumentenzorg in Den Haag slechts onderzoek naar het kasteel Duurstede. Pas in 1953 werden er door Herre Halbertsma enkele kleinere opgravingen uitgevoerd. Halbertsma was als archeoloog verbonden aan de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort, een dienst die in 1947 was opgericht. Maar zijn onderzoek stemde niet tot vreugde. De beendergraverijen hadden meer schade aangericht dan men aanvankelijk dacht. Voorlopig kwam de belangstelling voor Dorestad op een laag pitje te staan. In 1957 en 1961 verrichtte Halbertsma nog wel enige kleine onderzoeken binnen de stadswal van Wijk bij Duurstede. Dorestad leek te zijn vergeten.
En zo kon het gebeuren dat planologen uitgebreide stadsplannen maakten, uitgerekend op de plaats waar de resten van Dorestad in de bodem zaten. Ze waren in de veronderstelling dat er toch geen interessante zaken meer in de grond zaten. Het gebied was immers onderzocht. De archeologen werden overvallen door de plannenmakerij. Aan onderzoek kwamen ze niet toe, maar om toekomstige onderzoek veilig te stellen wilden ze het terrein tot monument laten verklaren. In de toekomst zou men met nieuwe archeologische technieken het onderzoek kunnen voortzetten, zo werd geredeneerd. Maar de bouwplannen waren niet meer te stuiten, op korte termijn zou er niets meer van de resten van Dorestad over zijn.


mesheft dat ook op de litho rechtsboven is weergegeven

Van Es
Daarmee werd het startschot gegeven voor de grootscheepse opgravingscampagnes die vanaf 1967 onder leiding van Wim van Es werden ondernomen. Aangezien bij de bouwplanning met archeologische werkzaamheden geen rekening was gehouden, moesten de opgravingen in een hoog tempo worden uitgevoerd. Die vertoonden dan ook volledig het karakter van een noodopgraving. In tegenstelling tot het eerdere onderzoek wilde men nu niet volstaan met proefsleuven. Het hele bodemarchief zou immers door de bouwactiviteiten teloor gaan. Uit systematisch opgezette opgravingsputten van 40 bij 20 meter werd eerst de geroerde bovenlaag verwijderd en vervolgens werd het oppervlak met vlakke schoppen 'geschaafd'. Na intekening van de aanwezige sporen en vondsten en na berging van deze vondsten werd de put 10 tot 15 cm dieper uitgegraven. Weer werd het nu ontstane vlak geschaafd en ingetekend. Het proces herhaalde zich zo'n drie of vier maal, soms meer, tot slechts ongeroerde ondergrond werd aangetroffen. Op enkele plaatsen waar zich een grondspoor bevond, werden verticale doorsneden, zogenaamde coupes, gemaakt om de aard van het betreffende spoor te kunnen vaststellen. Nadat ten slotte de put volledig was uitgegraven, werden de zijwanden geschaafd en ingetekend. Tot grote vreugde van de archeologen bleek er toch nog meer in de bodem bewaard te zijn dan aanvankelijk gedacht werd. Alleen met graafmachines kon men de tientallen hectaren opgraven die daarvoor in aanmerking kwamen en tegelijk de bouwers voorblijven. Het laat zich raden dat daarbij regelmatig van gedetailleerd onderzoek moest worden afgezien. Van Es klaagde over de situatie waarin hij gedwongen werd het onderzoek te globaal uit te voeren, ten koste van het detail: 'Nederland heeft maar één Dorestad bezeten en dat ene Dorestad moet nu op een wat willekeurig moment en te vlug worden opgegraven.'

(Bovenstaande gegevens zijn voornamelijk ontleend aan: W.A. van Es, 'De ontwikkeling van het onderzoek', Spiegel Historiael 13-4 (1978), 196-204)

Herre Halbertsma
(1920-1998)

w

w

Wim van Es
(1934)

Begin van de pagina

Startpagina