J.H. Holwerda (links) (1873-1951) |
|
Holwerda
Het archeologische onderzoek in Wijk bij Duurstede werd pas na driekwart eeuw, in 1920 weer opgepakt door J.H. Holwerda, directeur van het
Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Meer nog dan bij het onderzoek van Janssen werden de aangetroffen grondsporen van paalgaten, kuilen en
greppels in kaart gebracht. Doordat al het graafwerk met de hand moest gebeuren, konden er slechts in verschillende richtingen proefsleuven worden
gegraven. Daardoor kon wel een indruk worden verkregen van de omvang van een nederzetting, maar volledige plattegronden van gebouwen konden
zo niet worden gereconstrueerd. Holwerda had een aanzienlijk groter budget dan Janssen destijds tot zijn beschikking had. Zijn opgravingscampagnes
duurden tot 1928, gedurende welke tijd hij vele sleuven door het terrein heeft gegraven.
Holwerda meende op de plek, waar later een grafveld werd blootgelegd, een Karolingische curtis, de versterkte hof van de plaatselijke
vertegenwoordiger van de koning, te hebben aangetroffen. Maar dit bleek toch teveel wishfull thinking. De door hem aangetroffen grondsporen
behoorden allen tot het grafveld.
Halbertsma
Na Holwerda belandde het onderzoek weer in een sluimertoestand. Over Dorestad werd niets gepubliceerd, laat staan dat er gegraven werd. Tijdens
de Duitse bezetting verrichtte J.G.N. Renaud van de Monumentenzorg in Den Haag slechts onderzoek naar het kasteel Duurstede. Pas in 1953 werden
er door Herre Halbertsma enkele kleinere opgravingen uitgevoerd. Halbertsma was als archeoloog verbonden aan de Rijksdienst voor het Oudheidkundig
Bodemonderzoek in Amersfoort, een dienst die in 1947 was opgericht. Maar zijn onderzoek stemde niet tot vreugde. De beendergraverijen hadden meer
schade aangericht dan men aanvankelijk dacht. Voorlopig kwam de belangstelling voor Dorestad op een laag pitje te staan. In 1957 en 1961 verrichtte
Halbertsma nog wel enige kleine onderzoeken binnen de stadswal van Wijk bij Duurstede. Dorestad leek te zijn vergeten.
En zo kon het gebeuren dat planologen uitgebreide stadsplannen maakten, uitgerekend op de plaats waar de resten van Dorestad in de bodem zaten.
Ze waren in de veronderstelling dat er toch geen interessante zaken meer in de grond zaten. Het gebied was immers onderzocht. De archeologen werden
overvallen door de plannenmakerij. Aan onderzoek kwamen ze niet toe, maar om toekomstige onderzoek veilig te stellen wilden ze het terrein tot
monument laten verklaren. In de toekomst zou men met nieuwe archeologische technieken het onderzoek kunnen voortzetten, zo werd geredeneerd.
Maar de bouwplannen waren niet meer te stuiten, op korte termijn zou er niets meer van de resten van Dorestad over zijn.
 mesheft dat ook op de litho rechtsboven is weergegeven
Van Es
Daarmee werd het startschot gegeven voor de grootscheepse opgravingscampagnes die vanaf 1967 onder leiding van Wim van Es werden ondernomen.
Aangezien bij de bouwplanning met archeologische werkzaamheden geen rekening was gehouden, moesten de opgravingen in een hoog tempo worden
uitgevoerd. Die vertoonden dan ook volledig het karakter van een noodopgraving. In tegenstelling tot het eerdere onderzoek wilde men nu niet volstaan
met proefsleuven. Het hele bodemarchief zou immers door de bouwactiviteiten teloor gaan. Uit systematisch opgezette opgravingsputten van 40 bij 20
meter werd eerst de geroerde bovenlaag verwijderd en vervolgens werd het oppervlak met vlakke schoppen 'geschaafd'. Na intekening van de aanwezige
sporen en vondsten en na berging van deze vondsten werd de put 10 tot 15 cm dieper uitgegraven. Weer werd het nu ontstane vlak geschaafd en
ingetekend. Het proces herhaalde zich zo'n drie of vier maal, soms meer, tot slechts ongeroerde ondergrond werd aangetroffen. Op enkele plaatsen waar
zich een grondspoor bevond, werden verticale doorsneden, zogenaamde coupes, gemaakt om de aard van het betreffende spoor te kunnen vaststellen.
Nadat ten slotte de put volledig was uitgegraven, werden de zijwanden geschaafd en ingetekend. Tot grote vreugde van de archeologen bleek er toch nog
meer in de bodem bewaard te zijn dan aanvankelijk gedacht werd. Alleen met graafmachines kon men de tientallen hectaren opgraven die daarvoor in
aanmerking kwamen en tegelijk de bouwers voorblijven. Het laat zich raden dat daarbij regelmatig van gedetailleerd onderzoek moest worden afgezien.
Van Es klaagde over de situatie waarin hij gedwongen werd het onderzoek te globaal uit te voeren, ten koste van het detail: 'Nederland
heeft maar één Dorestad bezeten en dat ene Dorestad moet nu op een wat willekeurig moment en te vlug worden opgegraven.'
(Bovenstaande gegevens zijn voornamelijk ontleend aan: W.A. van Es, 'De ontwikkeling van het onderzoek', Spiegel Historiael
13-4 (1978), 196-204) | |
Herre Halbertsma (1920-1998)
ww
Wim van Es (1934)
|