Startpagina
ijzeren dissel uit het havengebied van Dorestad |
|
Tegen het einde van de negende eeuw ging Dorestad volledig ten onder en werd het bijna compleet van de kaart geveegd.
Hoewel de voortschrijdende decentralisatie van de handel een rol speelde, was de belangrijkste oorzaak toch een
politieke. De positie van het handelscentrum begon al barsten te vertonen toen er rond 830 praktisch geen
uitbreidingen van de havenconstructies meer plaatsvonden. In de tweede helft van de achtste eeuw waren die nog fors
uitgevallen. Daarna vond uitbouw en reparatie nog maar sporadisch plaats. We kunnen in de houding van Lodewijk de
Vrome een zekere desinteresse waarnemen. Ondanks een reeks van Noormannenaanvallen ondernam de keizer weinig met
betrekking tot Dorestad en richtte hij zich liever op de kustverdediging. Hij 'nam het ernstig op', was het enige
droge commentaar van een eigentijdse schrijver.
Met rijksdelingen in 839 en 843 was Dorestad in het Frankische Middenrijk van Lotharius I ingedeeld en daarmee bleef
de koppeling met het Frankische kerngebied tussen de Maas en de Rijn nog wel politiek gehandhaafd. Maar Lotharius en
zijn opvolgers konden zich steeds slechter handhaven tussen de opkomende Oost- en West-Frankische machten. Na 850
speelde de handelsplaats nog maar een geringe rol. Dorestad ondervond een economische terugval. In zekere zin
weerspiegelde de neergang van Dorestad de tanende macht van Lotharius I en zijn nakomelingen.

Deventer en Tiel
Na 870 raakte Dorestad buiten het feitelijke machtsbereik van de Oost-Frankische heersers. Daarom verplaatsten zij
hun steun en daarmee hun gezag naar de opkomende havenplaatsen Deventer en Tiel, die wel binnen hun invloedssfeer
en ook die van de Utrechtse bisschop lagen. Om hun vertrek naar deze oorden aantrekkelijk te maken, kregen kooplieden
dezelfde privileges die ze eerder in Dorestad hadden genoten. De oorkonde die koning Zwentibold in 896 in de
koninklijke palts in Nijmegen liet opstellen, markeert die overgang heel duidelijk. Daarin verordende hij dat mannen
van de kerk, lieden die onder de hoede van de bisschop van Utrecht stonden, voortaan in andere plaatsen in het bisdom,
in het bijzonder in Deventer en Tiel, dezelfde rechten en bescherming als in Dorestad zouden genieten.
Vaak worden vikingrooftochten als de belangrijkste reden voor de ondergang van Dorestad genoemd. Maar de plunderaars
zouden Deventer en Tiel ook wel hebben weten te vinden, terwijl deze plaatsen juist opbloeiden. De aanvallen zelf
kunnen dan ook nauwelijks een reden voor het einde van Dorestad geweest zijn. Na het midden van de negende eeuw zijn
ons maar twee overvallen op de handelsplaats overgeleverd. De overdreven kwaadaardig voorgestelde, maar toch zeldzaam
voorkomende vikingtochten behoorden tot een 'ongemak' dat in geen verhouding stond tot de vele troebelen die deze
roerige tijd van burgeroorlogen kenmerkten.
De prominente plaats van Dorestad in het handelsverkeer behoorde definitief tot het verleden en resterende
bestuurlijke activiteiten werden naar Utrecht verplaatst. Voor Dorestad bleef er niet veel bedrijvigheid meer over nadat het
gros van de kooplieden was vertrokken - de plaats had als regionale markt nauwelijks nog bestaansrecht.
| |
bronzen beslagstuk
bronzen ring |