Dorestad

onthuld
achtergronden
beschouwingen

Muntslag

Startpagina

Muntslag in de vroege middeleeuwen

Geld en handel zijn twee begrippen die al eeuwen samengaan. Vandaar dat munten ons een heleboel over de vroegmiddeleeuwse handel in Dorestad kunnen vertellen. Door de vroegste exemplaren die in Dorestad zijn geslagen, weten we bijvoorbeeld wanneer deze handelsplaats is opgekomen en uit de teruggevonden aantallen kunnen we het verloop van de economische bedrijvigheid afleiden. Munten dienden niet alleen het betalingsverkeer, maar waren ook een politiek propagandamiddel. Ze verhoogden het prestige van de machthebbers die het muntgeld in omloop liet brengen. Daardoor weerspiegelen munten uit Dorestad de formele verhouding met regerende vorsten. Kortom, munten leveren een belangrijke bijdrage bij het ontrafelen van de geschiedenis van de handelsplaats Dorestad.

Gouden munten
Na de ondergang van het West-Romeinse Rijk ontwikkelden diverse Germaanse koningen hun eigen munten die echter wel steeds op Romeinse voorbeelden teruggrepen. We noemen deze fase in de ontwikkeling van het muntwezen de pseudo-imperiale fase. Van een eenheid, zoals de Romeinen die in het muntwezen gebracht hadden, was niet veel meer over. Ook de eerste Frankische gouden munten uit het begin van de zesde eeuw waren imitaties – maar dan van een lagere kwaliteit – van Oost-Romeinse voorbeelden. Zelfs de naam van de keizer werd min of meer onveranderd overgenomen. Alleen de Frankische koning Theudebert liet tegen het midden van de zesde eeuw zijn eigen naam opnemen. Hij maakte er dan ook een sport van de keizer te provoceren. De Oost-Romeinse geschiedschrijver Procopius maakte zich er druk over: ‘Het is onjuist dat barbaarse heersers zichzelf op gouden munten afbeelden.’ Maar het tij viel niet meer te keren. We zijn dan beland in de nationale fase van het muntwezen die bij de Franken rond 585 begon. Op de munten die toen geslagen werden, vinden we nog altijd een buste naar Romeins voorbeeld, waarbij niet de naam van de keizer maar die van muntplaats stond. Op de keerzijde staat een kruis en de naam van de functionaris die voor de muntslag verantwoordelijk was. Van deze monetarii, ‘muntmeesters’, kennen we ongeveer 1500 binnen het Frankische Rijk bij naam. Het is aannemelijk dat zij de muntateliers beheerden en opdracht gaven aan stempelsnijders en ambachtslieden die de munten sloegen. Hun positie is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk waren zij zelfstandige ondernemers die ‘op bestelling’ werkten en geen koninklijke beambten, zoals de latere muntmeesters. In ieder geval profileerden zij zich door hun eigen naam op munten te vermelden die onder hun supervisie geslagen werden. Die naam diende in feite als een soort kwaliteitsmerk dat voor een zekere autoriteit stond. Daarmee was de naam van de monetarius, en ook die van een bekende muntplaats, een soort handelsmerk dat vertrouwen uitstraalde. In het handelsverkeer is vertrouwen immers het sleutelwoord.
Al die monetarii lieten munten slaan van hetzelfde gewicht en goudgehalte en ongeveer dezelfde afbeelding, ook al zaten ze verspreid over het hele rijk. Ofschoon ze tamelijk zelfstandig opereerden, volgden zij blijkbaar wel bepaalde conventies. Daarvoor pleit ook het overal synchroon afnemende goudgehalte. Het is niet bekend of zij ook koninklijke voorschriften naleefden. Het feit dat de naam van de koning vrijwel altijd ontbreekt, doet in ieder geval vermoeden dat die niet direct bij de muntslag betrokken was. Vroege bepalingen met betrekking tot muntslag uit het Frankische Rijk zijn ons niet overgeleverd, maar uit andere Germaanse gebieden kennen we die wel. Zo verordende de Langobardische koning Rotharius in de zevende eeuw dat niemand zonder zijn toestemming munten mocht slaan. Overtreding werd met het afhakken van een hand bestraft. Soortgelijke wrede bepalingen vinden we nadien in Engeland, maar ook bij de Karolingische vorsten terug. Blijkbaar werd muntslag door de koning gecontroleerd, ook al was hij er niet bij betrokken. Dat toezicht was er echter niet zozeer op gericht om de economie te bevorderen, muntslag was gewoon heel lucratief voor machthebbers. Controle werd vereenvoudigd door vermelding van de naam van de muntmeester en vooral die van de muntplaats.

Friezen en de Angelsaksen
Tegen het einde van de zesde eeuw begonnen ook de Friezen en de Angelsaksen gouden munten van gelijke grootte en gelijk gewicht als de Frankische te slaan, maar met een andere voorstelling. De vroegste Friese exemplaren die in terpen gevonden zijn, werden omstreeks 575 geproduceerd. Waarschijnlijk werden deze door rondreizende goudsmeden ten behoeve van de Friese elite aangemunt. Ze voorzagen deze munten van karakters die onleesbaar zijn. We kunnen er in ieder geval niet de naam van een muntplaats of monetarius in herkennen.
Langzaam begon zich in Noordwest-Europa een bescheiden geldeconomie te ontwikkelen. Voor de oorspronkelijke Romeinse solidi, gouden munten van 4,5 gram, was maar weinig belangstelling vanwege de hoge en daardoor niet erg handzame waarde in het dagelijkse handelsverkeer. Daarom werden er vooral tremisses aangemunt die een derde van het gewicht van een solidus hadden. De tremisses werden aangepast aan het Germaanse gewichtssysteem. Ze wogen ongeveer 1,3 gram, terwijl ook het goudgehalte verlaagd werd. Uiteindelijk verdween de solidus als munt uit de roulatie, hoewel de waarde ervan nog lang bij grotere transacties als rekeneenheid gebruikt werd.


Curieuze variant van een pseudo-Dorestad/Madelinus-tremisse met op de voorzijde een verbasterde herhaling van MADELINUS M in plaats van de muntplaats. Gevonden bij Maartensdijk (U.)
(Naar Van der Tuuk & Cruysheer, 'Madelinus in Maartensdijk'.)

In onze streken waren in de handelsplaatsen Hoei, Maastricht en Dorestad belangrijke Frankische munthuizen gevestigd. Aan het begin van de zevende eeuw waren de muntmeesters Madelinus en Rimoaldus in Maastricht actief voordat zij hun werkzaamheden naar het snel opkomende Dorestad verplaatsten.
In de loop van de zevende eeuw nam het gezag van de Frankische koning steeds verder af. Vooral na de dood van koning Dagobert in 639 kwamen munthuizen daardoor steeds meer onder invloed van plaatselijke aristocraten. Het aantal muntateliers nam zienderogen toe, in bijna iedere belangrijke marktplaats was er wel een te vinden. Dat gebeurde – niet toevallig – in een periode waarin het handelsverkeer toenam en er behoefte aan muntgeld ontstond. Want de ruilhandel was weinig efficiënt. Alleen als de verhandelde producten evenveel waard waren en op hetzelfde moment ter beschikking kwamen, konden die geruild worden. Met dergelijke omstandigheden hadden kooplieden echter zelden te maken. Geld bleek dan ook een smeermiddel voor de handel, vooral voor de langeafstandshandel was muntgeld onontbeerlijk.
Muntmeesters konden echter steeds minder voor de kwaliteit van de geslagen munten garant staan. We zien hun naam dan ook langzaam verdwijnen: die werd vanaf de achtste eeuw vaak door een muntplaats vervangen. De hoeveelheid goud nam – mede door gebrek aan dit edelmetaal – zienderogen af. In de loop van de zevende eeuw bleef er nog maar een derde van het goudgehalte over. Tegen de tijd dat Pippijn van Herstal in 679 de macht over het Frankische Rijk aan zich getrokken had, waren de meeste muntateliers helemaal gestopt met de aanmaak van gouden munten.
Sindsdien werden er op enkele plaatsen nog maar op zeer beperkte schaal gouden munten geslagen, zoals dat bijvoorbeeld nog aan het begin van de negende eeuw gebeurde. Dergelijke munten, die meer een representatief karakter hadden, werden in de tweede helft van de negende eeuw in Frisia geïmiteerd. Daar bleef goud nog van belang, het speelde in het bijzonder in de wetgeving bij boetes en weergeld (afkoopsom ter voorkoming van een wraakactie) een voorname rol.


Een vreemde eend in de bijt vormt de gouden solidus van Karel de Grote met de inscriptie CARLVSREXETLANETR (Carolus rex Francorum et Langobardorum) rond een Romeinse buste en op de keerzijde VICO DVRISTAT rond een kruis. De verhaspelde afkorting van de titulatuur van de koning doet vermoeden dat we met een imitatie te maken hebben. Maar dat is verre van zeker, net zoals het onduidelijk is met welk doel deze munt geslagen is.
(naar Williams, 'The influence of Dorestad coinage'.)

 

Zilvergeld
Gouden munten hadden hoofdzakelijk bij de elite een rol gespeeld, bijvoorbeeld bij de uitwisseling van geschenken en betalingen aan volgelingen. Daardoor was de geldcirculatie zeer beperkt gebleven. Met de opkomst van de goederenhandel begon er echter meer behoefte aan een muntsoort te ontstaan die aansloot bij de waarde van de handelswaar. Voor het reguliere handelsverkeer vertegenwoordigden de gouden tremisses meestal een veel te grote waarde. Een dergelijke munt moeten we in de orde van grootte zien als een hedendaags 200 of 500 eurobiljet, om de woorden van de numismaat Arent Pol aan te halen.
Daarom begonnen de Franken vanaf ongeveer 675 kleine zilveren munten te slaan, die net als hun Romeinse voorgangers denarii, denieren of penningen genoemd werden, maar veel lichter waren. Het leken eerder zilveren versies van tremisses. De denarius kwam op tijdens de ambtsperiode van hofmeier Ebroin, die deze misschien in het Frankische Rijk herintroduceerde. Deze muntsoort luidde een nieuw tijdperk in, penningen zouden eeuwenlang hét betalingsmiddel in West-Europa blijven vormen.


Angelsaksische sceatta, gevonden in Wijk bij Duurstede.

Misschien speelde bij het slaan van zilveren munten, naast de toenemende behoefte aan ‘kleingeld’ in het handelsverkeer, ook de verminderde beschikbaarheid van goud een rol. Goud kwam weliswaar door (slaven-)handel met de Arabieren of de Byzantijnen het Frankische Rijk binnen, maar om erg grote hoeveelheden ging het niet. Otfrid von Weißenburg schreef in zijn 'Evangelieboek' dat men in het Frankische Rijk ‘erts en koper won en zelfs kristallen, en ook zilver en goud dat op veel plaatsen in het zand gevonden werd’. Het ging daarbij maar om een bescheiden hoeveelheid goud, terwijl er wel behoorlijk wat zilver binnen de grenzen van het rijk gewonnen werd. Dat gebeurde bijvoorbeeld in de zilvermijnen van Melle (Metullum) in Aquitanië (Zuidwest-Frankrijk), dat we als METULLO op veel Karolingische munten tegenkomen. Want er was ter plaatse een koninklijke munt waar het gevonden edelmetaal meteen tot munten verwerkt werd.


Denarius van Karel de Kale, geslagen in Melle, gevonden in Wijk bij Duurstede.

De Friezen en Angelsaksen begonnen tegen het einde van de zevende eeuw eveneens kleine zilveren muntjes te slaan die het gewicht van Frankische penningen hadden. Friese en Engelse munten zijn lastig van elkaar te onderscheiden. Blijkbaar bracht de belangrijke Noordzeehandel een zekere eenheid in deze munten. De meeste Friese penningen – ze worden tegenwoordig vaak sceatta’s genoemd, hoewel ze eigenlijk beter gewoon als penningen aangeduid kunnen worden – worden in de eerste decennia van de achtste eeuw gedateerd. Ze waren al meteen een succes. Er zijn grote aantallen Friese penningen in onze kustgebieden teruggevonden, waar ze getuigen van een bloeiende geldeconomie. Blijkbaar was er in het handelsverkeer grote behoefte aan dergelijke zilveren munten. Ze droegen dan ook in hoge mate bij aan een intensivering van het betalingsverkeer. Ze waren heel gangbaar en hebben vele eeuwen in Frisia dienst gedaan.
Er werd in Frisia aanvankelijk veel meer zilvergeld aangemunt dan in het Frankische Rijk. Waarschijnlijk werden er in onze streken pas Frankische denarii in grote aantallen geproduceerd na de definitieve verovering van Frisia in de jaren dertig van de achtste eeuw.

Uit de enorme hoeveelheid munten die er in Frisia geslagen werden, blijkt wel dat het muntwezen een uitkomst voor de handel was. De samenleving als geheel was echter een agrarische, vrijwel alle betalingen werden in natura voldaan. Aan het begin van de negende eeuw bestond maar 3% van de afdrachten van de horigen van de abdij van Saint-Germain-des-Prés uit zilvergeld, gemiddeld zo'n twee denarii per hoeve. De rest werd met goederen en diensten vereffend. Ook op lokale markten speelde muntgeld een bescheiden rol en de gewone boer maakte er maar beperkt gebruik van. Ruilhandel bleef dan ook lang een factor in het economische verkeer. Nog in de elfde eeuw voldeed bisschop Meinwerk van Paderborn een rekening met kostbare pelzen uit Scandinavië en Oost-Europa.


Vroegmiddeleeuwse munten zijn over het algemeen erg klein. Vergelijk de grootte van een sceatta met een eurocent.

 

Koninklijke bemoeienis
In 755 reglementeerde de Frankische koning Pippijn de Korte de muntslag die tot dan door vele muntmeesters in even zovele muntplaatsen op eigenzinnige wijze werd uitgevoerd. Ze streefden er naar om tegen zo laag mogelijke kosten muntgeld aan te maken, waardoor het gewicht en het edelmetaalgehalte zo minimaal mogelijk gehouden werd. Door deze gewoonte en door normale gebruiksslijtage bleef het zilvergewicht alsmaar afnemen, aangezien vooral de lichtste munten in omloop bleven. De zwaardere exemplaren werden bij voorkeur opgepot. Daardoor stegen de marktprijzen tot nadeel van de heersende klasse, de landeigenaren, die zich hier dan ook tegen begonnen te verzetten.
Pippijn greep in, hij eigende zich het muntrecht toe en voerde een munthervorming door. De nieuwe Karolingische penningen waren veel dunner dan hun Merovingische voorgangers, ze lijken geïnspireerd door de dunne dirhams die de Arabieren in het Frankische Rijk introduceerden. De nieuwe munten van Pippijn behielden echter wel hetzelfde gewicht als voorheen, waardoor ze een veel grotere diameter hadden dan hun voorgangers. Sindsdien golden deze zilveren munten als enig wettig betaalmiddel en ze vertoonden weer de beeldenaar en de naam van de koning.


Munt van het monogramtype van Karel de Grote, geslagen in Milaan.

In Engeland werd het continentale muntstelsel op de voet gevolgd. Daar werd een muntsysteem ingevoerd dat het tot ver in de twintigste eeuw zou uithouden. Tot het begin van de jaren zeventig was een pound nog verdeeld in twaalf shillings en een shilling in twintig pence.

In Frisia, waar nauwelijks of helemaal geen centraal gezag optrad, functioneerde ondanks het ontbreken van zo’n autoriteit een bloeiend muntwezen. Blijkbaar waren kooplieden prima in staat om zelf een geldcirculatie op gang te brengen en te onderhouden, daar hadden ze geen overheid voor nodig. De muntcirculatie kon zich onder ‘vrije marktcondities’ ontwikkelen, ook al was er wel een vorm van controle waarbij plaatselijke gemeenschappen het muntwezen reguleerden. Valsmunterij werd bijvoorbeeld streng bestraft. Desondanks hadden de Karolingische vorsten zich van het muntwezen meester gemaakt om er een betere grip op te krijgen. Controle daarop past goed in hun streven om het handelsverkeer te beheersen. Karel de Grote bepaalde dat muntproductie uitsluitend op koninklijke domeinen mocht plaatsvinden. Lodewijk de Vrome specificeerde de muntplaats nog verder door te bepalen dat die onder toezicht diende te staan van de graaf, die als vertegenwoordiger van de koning optrad. Er mocht alleen op een toegewezen plaats een muntatelier worden ingericht.
De Frankische koningen ondersteunden weliswaar de handel door het proces van muntslag te beschermen en de kwaliteit van munten te garanderen, maar voor het overige was hun rol als wetgever absoluut niet noodzakelijk. Regelgeving wierp drempels op waarvan kooplieden alleen maar hinder ondervonden. Vooral Karel de Grote voerde munthervormingen door om koninklijke macht te centraliseren. Hij streefde ernaar dat er overal identieke munten geslagen werden. Er zouden nog meerdere munthervormingen door hem en zijn opvolgers volgen. Er bestond duidelijk een behoefte om nieuwe uitgaven van eerdere te onderscheiden.
Behalve dat muntslag controlemogelijkheden op het handelsverkeer bood, vormde die ook een lucratieve aangelegenheid voor de koning. In marktplaatsen waren kooplieden verplicht edelmetalen en vreemde munten aan de vertegenwoordiger van de koning aan te bieden die er officiële munten van sloeg. De uitgegeven penningen waren meer waard dan hun gewicht in zilver. De ‘valutawinst’ – door numismaten ‘sleischat' genoemd – was na aftrek van de kosten voor het ommunten voor de fiscus.

Versnippering van het muntrecht
Tegen het einde van de negende eeuw begon het centrale gezag te tanen, waardoor plaatselijke machthebbers zelf maatregelen namen om de muntplaatsen binnen hun gebied veilig te stellen. Ze gingen hun eigen munten slaan waarvan gewicht en zilvergehalte steeds meer van de koninklijke standaard begon af te wijken en daardoor per plaats verschilden, ook al was de waarde formeel door het centrale gezag vastgelegd. Net als op andere gebieden konden plaatselijke potentaten blijkbaar hun invloed met betrekking tot muntslag steeds meer naar believen uitoefenen. Het tijdvak van het territoriale muntgeld was aangebroken.
Zoals de koning in de loop van de tijd steeds meer tol- en marktrechten aan kloosters en bisschoppen overdroeg, werd hun ook muntrecht verleend. Zo ontving bisschop Balderik van Utrecht in de tiende eeuw van de koning het recht om munt te slaan. Producten op de Utrechtse markten moesten voortaan met Utrechtse munt betaald worden. Ook wereldlijke machthebbers kregen dergelijke rechten in handen. Door versnippering van het muntrecht verwaterde de centralisatie van het muntwezen, zoals de vroege Karolingen die voor ogen hadden. Het aantal muntplaatsen nam toe, maar door een teruglopende economie nam het aantal munten in circulatie juist sterk af. Uit schriftelijke bronnen weten we dat er in onze streken muntrecht werd verleend, maar dat hoefde nog niet te betekenen dat er ook werkelijk munten geslagen werden. Zo is er in de tiende eeuw sprake van het muntrecht in Medemblik, maar er zijn geen herkenbare exemplaren uit deze handelsplaats bekend van voor de dertiende eeuw. Het is dus zeer de vraag of er voor die tijd in deze plaats wel muntrecht uitgeoefend werd.

 

 

Muntslag in Dorestad
Het ligt voor de hand dat de munt in Dorestad niet anders functioneerde dan munthuizen in andere delen van het Frankische Rijk. Toch nam die door zijn grootte en ligging een bijzondere positie in. De Dorestadse munt was in de Karolingische periode een van de grootste en meest productieve, waar het proces van muntslag als eerste geoptimaliseerd werd.
Voor die tijd lag Dorestad in het omstreden grensgebied van de Franken en de Friezen. Toch kon het handelscentrum zich tot een van de belangrijkste – zo niet de grootste – muntplaats van Noordwest-Europa ontwikkelen. Dat lijkt op het eerste gezicht niet zo vanzelfsprekend. Als we echter bedenken dat handel en nijverheid ondanks alle vijandelijkheden volop werden voortgezet en de nederzetting zelfs werd uitgebreid, is het niet zo gek dat de munt in Dorestad van deze bedrijvigheid profiteerde.
Munten uit Dorestad waren populair, omdat ze een betrouwbaar imago hadden en uit een vertrouwde handelsplaats afkomstig waren. Daardoor werden in het Friese kustgebied de munten uit Dorestad massaal geïmiteerd. Friese kooplieden zagen een vertrouwd munttype niet graag veranderen. Daarom handhaafde men de naam van de muntplaats en ook die van de heerser, zelfs als die al lang dood was.
Er waren wel andere muntplaatsen in de periferie van het Frankische Rijk te vinden, maar alleen de Friezen hadden voldoende vrijheid om zelf munten te kunnen produceren. Uit het grote aantal teruggevonden Friese navolgingen van Karolingische munten kunnen we afleiden dat het Friese kustgebied – hoewel formeel deel van het Frankische Rijk – een zekere autonomie wist te bewaren. In de loop van de negende eeuw nam hun zelfstandigheid alleen maar toe, terwijl het Frankische Rijk uiteen begon te vallen en Dorestad in handen van Deense krijgsheren viel. We moeten er dus voor beducht zijn dat we imitaties kunnen tegenkomen die niet in Dorestad zijn aangemunt en waarop een niet meer heersende vorst staat afgebeeld.

Kleine muntschat gevonden in de uiterwaarden van de Rijn ten oosten van Wijk bij Duurstede. Deze kan niet voor 864 in de grond zijn geraakt, want de jongste munt is tussen 864 en 877 geslagen onder koning Karel de Kale, dus in de nadagen van Dorestad. Deze populaire munt wordt relatief vaak gevonden, terwijl er in de munstschat maar één exemplaar zit. Dat doet verrmoeden dat de munten niet lang na 864 in de grond zijn gestopt.
De schat bevat munten die zijn geslagen onder Karel de Grote, Lotharius I, Lodewijk II, Karel de Kale en twee imitaties die vermoedelijk door de Deense warlord Rorik in Dorestad zijn geslagen. Opvallend is de afwezigheid van munten van Lodewijk de Vrome die meestal het grootste percentage van dit soort muntvondsten uitmaken. Dat doet vermoeden dat de vroegste munt (van Karel de Grote) niet tot de muntschat behoort. Dat zou kunnen kloppen, want alle munten zaten op een kluitje, alsof ze in een beurs hebben gezeten, terwijl de munt van Karel de Grote los op enkele meters afstand werd gevonden.

 

Muntvondsten
Vroegmiddeleeuwse munten die in de ondergrond van Wijk bij Duurstede zijn gevonden, vertellen ons iets over het wijdvertakte handelsnetwerk van Dorestad. We onderscheiden twee soorten munten. Ten eerste de exemplaren die in de bodem van Wijk bij Duurstede werden gevonden maar ergens anders geslagen zijn. Die geven ons inzicht in het tijdstip en de omvang van het handelsverkeer in Dorestad. Ten tweede de munten die in de plaats zelf geslagen werden en in grote delen van Europa teruggevonden zijn. Die zeggen vooral iets over Dorestad als muntplaats.
Meestal hebben we met losse munten te maken die de oorspronkelijke eigenaar lang geleden verloren heeft. Er zijn sinds ontgrondingen in de negentiende eeuw vele honderden losse exemplaren geraapt. Het probleem met dit soort vondsten is dat we nooit zekerheid hebben dat die ook werkelijk in Wijk bij Duurstede gevonden zijn. Verzamelaars kregen van alle kanten munten aangeboden die bij navraag natuurlijk altijd net uit het gewenste verzamelgebied afkomstig bleken. Een bijkomende moeilijkheid is dat er bij verzamelaars een voorliefde voor 'mooie' munten bestaat. Latere stukken van Lodewijk de Vrome en zijn zoon Lotharius I die in onze streken zijn aangemunt, zien er minder fraai uit dan soortgelijke exemplaren die elders geslagen zijn. Daardoor kan er een vorm van selectie zijn opgetreden. Door archeologische opgravingen nam het aantal vondsten toe, vooral nadat er met metaaldetectors gezocht werd.
Alle vondsten bij elkaar geven ons een beeld welke munten er in welke frequentie in omloop waren, mits we niet met te kleine hoeveelheden te maken hebben. De kans om muntgeld te verliezen is immers van alle tijden. Losse vondsten maken duidelijk dat Dorestad tijdens de regeringsperiode van Karel de Grote en Lodewijk de Vrome economische hoogtijdagen doormaakte. Vanaf de munthervorming van 793/794 vloeide er een toenemende hoeveelheid munten uit een steeds groter deel van het Frankische Rijk naar Dorestad. In de jaren dertig van de negende eeuw zette een dalende trend in.
Van vroege munten, tremisses uit de zevende eeuw en sceatta´s uit de late zevende en vroege achtste eeuw, zijn de gevonden aantallen echter te klein om een goede indruk van de economische ontwikkeling van Dorestad te krijgen in de periode waarin deze munten circuleerden.
In het noordelijke havengebied van Dorestad zijn over het algemeen voldoende exemplaren teruggevonden om een oordeel te kunnen vormen over de fasering van de bouw van de havenwerken. Twee schatvondsten uit dit gebied die in 1972 werden ontdekt, mogen we daarbij niet meetellen. Die vertekenen het beeld doordat we slechts met toevalstreffers te maken hebben die ooit bewust in de grond gestopt werden maar er blijkbaar niet meer uitgehaald zijn. Op deze manier verborgen munten zaten meestal in een buideltje van leer of textiel, soms in een pot. De eerste vondst bestaat geheel uit munten uit de regeringsperiode van koning Pippijn de Korte (751-768) en is waarschijnlijk nog tijdens diens bewind in de grond gestopt. Een tweede vondst bleek uit munten te bestaan die een grotere tijdspanne omvatten. In deze ‘spaarpot’ zitten exemplaren uit de tijd van Karel de Grote (768- 814) voor de munthervorming van 793/794, imitaties daarvan uit het begin van de negende eeuw en munten van Lodewijk de Vrome (814-840) die tot 822/823 geslagen zijn. (1)
Hoewel dit soort gesloten vondsten weinig over het verloop van de economische ontwikkeling zegt, bieden ze wel betere dateringsmogelijkheden dan los aangetroffen munten. Bovendien werden ze niet zomaar ergens in de grond gestopt. Beide schatvondsten in het havengebied pleiten ervoor dat de damconstructies waarin deze zaten niet alleen maar als transportweg tussen de nederzetting en de schepen hebben gediend.


Dit is de enige bekende denarius waarin een '+' is opgenomen in de muntplaats DOR/ES+TA/TVS. (Wijk bij Duurstede, De Geer II)

Het is een hachelijke zaak om munten te rubriceren. Er zijn vele variëteiten bekend, waarbij het niet altijd even duidelijk is waar een grens kan worden getrokken. Datzelfde geldt voor het onderscheid tussen munten die officieel in Dorestad zijn geslagen en Friese navolgingen. Daarom zijn imitaties van Dorestadmunten in het overzicht hiernaast opgenomen, te meer omdat er niet altijd overeenstemming is onder onderzoekers over het onderscheid tussen oorspronkelijk en nabootsing. Vooral over de munten waarop de namen van Lodewijk de Vrome en zijn oudste zoon Lotharius I voorkomen zijn er wat dat betreft grote verschillen van inzicht. (2)
In het overzicht zijn niet alleen de munten opgenomen die Dorestad als muntplaats vermelden, maar ook typen zonder plaatsaanduiding waarvan aannemelijk is gemaakt dat die in Dorestad geslagen zijn. Deze laatste categorie is in het verleden nogal eens ondergewaardeerd, waardoor een vertekend beeld van de muntproductie en daardoor van de economische ontwikkeling ontstond.
Daarnaast zijn, om het beeld te completeren, in het overzicht eveneens munten opgenomen waarop de naam Dorestad voorkomt, maar daar beslist niet zijn geslagen, zoals Scandinavische navolgingen uit het begin van de negende eeuw.

Het onderstempel werd met een puntige onderzijde in een gat van een aambeeld geplaatst. Met een hamer werd op de vlakke bovenzijde van het bovenstempel geslagen. Op het onderstempel werd door een helper een muntplaatje gelegd, waarna de muntslager het bovenstempel plaatste en er met een hamer op sloeg. Voor zilveren penningen waren gewoonlijk twee slagen nodig. Dat kunnen we goed zien in dit detail van een dubbelslag, gevonden in Wijk bij Duurstede. Bij de tweede slag is het muntplaatje duidelijk iets verschoven ten opzichte van de eerste slag.

 

Muntschat van 62 sceatta's en 9 Merovingische denarii uit de vroege achtste eeuw, gevonden nabij Cothen (gemeente Wijk bij Duurstede), gefotografeerd direct na de vondst. Vrijwel alle sceatta's zijn van de 'stekelvarken/standaard'-serie, de meeste Frankische denarii zijn in Metz geslagen.
De munten zijn met een mes ingekerfd om te testen of het geen verzilverde vervalsingen waren. Textielafdrukken in de homp klei waar de meeste munten inzaten, doen vermoeden dat ze in een zakje hebben gezeten. lit. Metcalf & Op den Velde, 'The Cothen hoard'.
(foto Kees Leenheer)

Noten
(1) Enno van Gelder, ‘Coins from Dorestad’, 212 e.v.
(2) Enno van Gelder was van mening dat een groot gedeelte van de munten van Lotharius niet in Dorestad maar in het Friese kustgebied is geslagen, een visie die door Coupland wordt bestreden. (Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’; Coupland, 'Dorestad in the ninth century’)
(3) Een dergelijke munt werd vroeger algemeen triens genoemd, tegenwoordig spreken we liever van tremissis (meervoud: tremisses).
(4) Grierson & Blackburn, Medieval European Coinage, 137.
(5) Door vergelijking van de stempels die voor de voor- en keerzijde van munten gebruikt zijn (stempelkoppeling) en de mate van slijtage is de volgorde van de productie te bepalen.
(6) Pol, 'Madelinus', 92.
(7) Zadoks-Josephus Jitta, ‘De eerste muntslag', 10.
(8) Henstra, The Evolution, 63 e.v.
(9) Pol, ‘Medieval coins from Wijnaldum’, cat. nr. 11; Pol, 'Madelinus', 92.
(10) Pol, 'Madelinus', 93.
(11) Een zilveren munt uit Dongjum lijkt een missing link tussen Madelinusmunten en Friese sceatta’s die rond 700 geslagen werden. (Pol, ‘A new sceat’, 119-122)
(12) Van der Tuuk, De Friezen, 124-136.
(13) Zie voor een overzicht: Op den Velde, ‘Sceatta’s’.
(14) Op den Velde & Metcalf, ‘The Monetary Economy’, 70-73, 118.
(15) Het betreft sceatta’s van de reeks D, type 10 (Op den Velde & Metcalf, ‘The Monetary Economy’, 82-96; 118-119).
(16) Op den Velde & Metcalf, ‘The Monetary Economy’, 67.
(17) Van Doesburg, 'Van Lynden van Sandenburgweg', 147.
(18) Van Es & Verwers, Excavations 3, 311-312.
(19) Op den Velde, 'Sceatta's bij Maurik en Rijswijk', 14 e.v.
(20) Pol, 'Middeleeuwse munten', 48.
(21) Op den Velde & Metcalf, ‘The Monetary Economy’, 114.
(22) Prou 980 (Enno Van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 20); voor Prou zie: Prou, Catalogue de monnaies.
(23) Enno van Gelder, ‘Coins from Dorestad’, 213.
(24) Grierson, ‘Money and coinage’, 506.
(25) MG 99 (Coupland, ‘Charlemagne’s coinage’, 213 e.v.); Prou 56-58 (Enno Van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 20); voor MG zie: Morrison & Grunthal, Carolingian Coinage.
(26) Malmer, Nordiska mynt, 60-63 en 204-209.
(27) Malmer, Nordiska mynt, 60.
(28) Boretius, Capitularia regum Francorum, 74 (no. 28, c.5).
(29) MG 100-104, 642 (Coupland, 'Dorestad in the ninth century’, 13); Prou 62 (Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 21).
(30) Coupland, ‘Charlemagne’s coinage’, 223.
(31) Coupland, ‘Charlemagne’s coinage’, 224.
(32) MG 105 (Coupland, 'Dorestad in the ninth century’, 13); Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 21.
(33) MG 330-331 (Coupland, 'Dorestad in the ninth century’, 14); Prou 63-64 (Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 21).
(34) Coupland, ‘Money and coinage’, 27.
(35) ‘Capitulare missorum’: Boretius, Capitularia regum Francorum, 290 (no. 141, c.12).
(36) Coupland, ‘Money and coinage’, 28.
(37) Boretius, Capitularia regum Francorum, 306 (no. 150, c.20).
(38) MG 337 (Coupland, 'Dorestad in the ninth century’, 14); Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 21.
(39) Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 31.
(40) Coupland, ‘Money and coinage’, 41; Coupland, 'Dorestad in the ninth century’, 17; Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 32.
(41) Coupland, 'Boom and bust', 100.
(42) Naar schatting werden er 450 stempels gebruikt waarop duizenden munten per stempel konden worden geslagen. (Coupland, ‘Money and coinage’, 41); Coupland, 'Boom and bust', 97-99.
(43) Coupland, ‘Trading places', 223; Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 35.
(44) MG 525-530 (Coupland, 'Dorestad in the ninth century’, 15); Prou 74-78 (Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 22); Volgens Lafaurie werd al kort voor het einde van de regering van Lodewijk de Vrome, in 839 of 840, de tekst ‘christiana religio’ vervangen door de muntplaats Dorestad. (Lafaurie, 'The novi denarii', 141); zie ook Grierson & Blackburn, Medieval European Coinage, 223.
(45) Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 31.
(46) Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 29.
(47) Coupland, ‘The coinage of Lothar I', 157; Pol, ‘Spectaculaire schatvondst’.
(48) Coupland, ‘The coinage of Lothar I', 166.
(49) MG 521-524 (Coupland, 'Dorestad in the ninth century’, 15); Prou 69-73 (Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 22, 27-28).
(50) Rau, ‘Annales Fuldenses’, 38.
(51) Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 19.
(52) Moesgard, ‘Vikings on the Continent´, 128.
(53) Coupland, 'Dorestad in the ninth century’, 21.
(54) Enno van Gelder, 'De Karolingische muntslag’, 34.
(55)Coupland, 'Boom and bust', 97.
(56) Van Herwijnen & Ilisch, ‘A Medieval Coin Find', 246.
(57) In 1996 werd ook een exemplaar in Wijk bij Duurstede gevonden. (Ilisch, 'Dorestad - Wijk bij Duurstede', 102).
(58) Van Herwijnen & Ilisch, ‘A Medieval Coin Find', 245-247.
(59) Spufford, Money, 57-60.
(60) Ilisch, 'Dorestad - Wijk bij Duurstede', 102.

Muntschat met denarii van het type christiana religio van Lodewijk de Vrome, gevonden aan de David van Bourgondiëweg in Wijk bij Duurstede.

 

Literatuur
Boretius, A., Monumenta Germaniae historica, Legum II, Capitularia Regum Francorum I, (Hannover 1883).
Coupland, S, 'Dorestad in the ninth century: The numismatic evidence', Jaarboek voor Munt en Penningkunde 75 (1988), 5-26.
Coupland, S., ‘Trading places Quentovic and Dorestad reassessed’, Early Medieval Europe 11-3 (2002) 209-232.
Coupland, S., ‘Money and coinage under Louis the Pious’, Carolingian coinage and the Vikings: studies on power and trade in the 9th century (Aldershot/Burlington 2007), 23-54.
Coupland, S., ‘The coinage of Lothar I (840-855)', Numismatic Chronicle 161 (2001), 157-198.
Coupland, S., ‘Charlemagne’s coinage: ideology and economy’, Story, J. (red.), Charlemagne: Empire and Society (Manchester 2005), 211-229.
Coupland, S., 'Boom and bust at 9th-century Dorestad', Willemsen, A. & Kik, H. (reds.), Dorestad in an international framework. New research on centres of trade and coinage in Carolingian times (Turnhout 2010), 95-103.
Doesburg, J. van, 'Van Lynden van Sandenburgweg', Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1994-1995 (Utrecht 1998),145-147.
Eckhardt, K.A. (ed.), Pactus legis Salicae, Leges nationum Germanicarum, Monumenta Germaniae historica Legum 4,1 (Hannover 1962).
Enno van Gelder, H, 'De Karolingische muntslag te Duurstede', Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 48 (1961), 15-42.
Enno van Gelder, H, ‘Coins from Dorestad, Hoogstraat I’, Es, W.A. van & Verwers, W.J.H., Excavations at Dorestad 1 - The Harbour: Hoogstraat I (Amersfoort 1980), 212-224.
Es, W.A. van, ‘Friezen, Franken en Vikingen’, W.A. van Es & W.A.M. Hessing (reds.), Romeinen, Friezen en Franken in het hart van Nederland (Utrecht/Amersfoort 1994), 82-119.
Es, W.A. van & Verwers, W.J.H., Excavations at Dorestad 3 - Hoogstraat 0, II-IV (Amersfoort 2009).
Grierson, Ph., ‘Money and coinage under Charlemagne’, Grierson, Ph. (red.), Dark Age Numismatics, Selected Studies (Londen 1979), 501-536.
Grierson, Ph. & Blackburn, M., Medieval European Coinage I, The Early Middle Ages (5th – 10th centuries) (Cambridge 2007).
Henstra, D.J., The Evolution of the Money Standard in medieval Frisia (Groningen 2000).
Herwijnen, A. van & Ilisch, P., ‘A Medieval Coin Find from the Netherlands: Filling a Gap for Dorestad?’, The Numismatic Chronicle 166 (2006), 245-249.
Ilisch, P., 'Dorestad - Wijk bij Duurstede', in: 'Die Münzprägung im Herzogtum Niederlothringen', Jaarboek voor Munt en Penningkunde 84-85 (1997-1998), 101-104.
Krusch, B. (ed.), 'Fredegarii et aliorum Chronic. Vitae Sanctorum', Monumenta Germaniae Historica, Scriptores rerum Merovingicarum 2 (Hannover 1888), 1-193.
Krusch, B. (ed.), Vita Landiberti episcopi Traiectensis vetustissima, Monumenta Germaniae Historica, Scriptores rerum Merovingicarum 6 (Hannover 1913).
Krusch, Br. & Levison, W. (eds.), 'Gregorii episcopi Turonensis libri historiarum X', Monumenta Germaniae Historica, Scriptores rerum Merovingicarum 1,1 (Hannover 1951).
Lafaurie, J., ‘The novi denarii and forgery in the ninth century’, Brooke, C.N.L. e.a. (reds.), Studies in numismatic method presented to Philip Grierson (Cambridge 1983), 137-146.
Malmer, B., Nordiska mynt före år 1000 (Bonn/Lund 1966).
Metcalf, M. & Op den Velde, W., 'The Cothen hoard of porcupine sceattas and Merovingian deniers', Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 101 (2014), 27-51.
Moesgard, J. Chr., ‘Vikings on the Continent. The numismatic evidence’, Klaesøe, I. S. (red.), Viking Trade and Settlement in Continental Western Europe (Kopenhagen 2010), 123-144.
Morrison, K.F. & Grunthal, H., Carolingian Coinage (New York 1967).
Muller Fz., S. & Bouman, A.C., (eds.), Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 I (Utrecht 1920).
Pol, A., ‘Spectaculaire schatvondst uit de 9e eeuw’, De Beeldenaar (1992), 66 – 71.
Pol, A., 'Middeleeuwse munten van het Domburgse strand', Heeringen, R.M. van, Henderikx, P.A. & Mars, A. (reds.), Vroeg-Middeleeuwse ringwalburgen in Zeeland (Amersfoort/Goes 1995), 44-49.
Pol, A., ‘Medieval coins from Wijnaldum’, Besteman, J.C. e.a. (reds.), The excavations at Wijnaldum: reports on Frisia in Roman and Medieval times (Rotterdam 1999), 217-227.
Pol, A., ‘A new sceat of the Dorestat/Madelinus-type’, Studies in Early Medieval Coinage 1 (2008), 119-122.
Pol, A., 'Madelinus and the disappearing of gold', Willemsen, A. & Kik, H. (reds.), Dorestad in an international framework. New research on centres of trade and coinage in Carolingian times (Turnhout 2010), 91-94.
Prou, M. M., Catalogue des monnaies françaises de la Bibliothèque nationale: monnaies carolingiennes (Paris 1892).
Rau, R. (ed.), ‘Annales Fuldenses’, Quellen zur karolingischen Reichsgeschichte III, (Darmstadt 1960), 19-177.
Spufford, P., Money and its use in Medieval Europe (Cambridge 1988).
Theuws, F., ‘Maastricht as a centre of power in the early Middle Ages’, Jong, M. de & Theuws, F. (reds.), Topographies of power in the early Middle Ages (Leiden/Boston/Keulen 2001), 155-216.
Tuuk, L. van der, De Friezen. De vroegste geschiedenis van het Nederlandse kustgebied (Utrecht 2014).
Tuuk, L. van der & Cruysheer, A., 'Madelinus in Maartensdijk', St. Maerten, Historische Vereniging Maartensdijk 46 (2014).
Velde, W. op den, 'Sceatta's gevonden bij Maurik en Rijswijk', Jaarboek voor Munt en Penningkunde 69 (Amsterdam 1982), 5-20.
Velde, W. op den, ‘De in Nederland voorkomende sceatta’s’, De Beeldenaar (1982), 40-52 en 83-96.
Velde, W. op den & Metcalf, D.M., ‘The Monetary Economy of the Netherlands, c.690 – c.715 and the Trade with England: A Study of the Sceattas of Series D´, Jaarboek voor Munt en Penningkunde 90 (2003).
Waitz, G. (ed.), Vita Anskarii auctore Rimberto Anhang: Vita Rimberti. Scriptores rerum Germanicarum in usum scholarum separatim editi 55 (Hannover 1884).
Williams, G., 'The influence of Dorestad coinage on coin design in England and Scandinavia', Willemsen, A. & Kik, H. (reds.), Dorestad in an international framework. New research on centres of trade and coinage in Carolingian times (Turnhout 2010), 105-111.
Zadoks-Josephus Jitta, A.N., ‘De eerste muntslag te Duurstede’, Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 48 (1961), 1-14.

 


Aan elkaar gekitte munten van Lodewijk de Vrome, gevonden in een baggerplas bij Rijswijk (G.) aan de overkant van de Lek ten zuiden van Wijk bij Duurstede.

Overzicht van munten uit Dorestad en navolgingen

1. Gouden tremisses van Madelinus en Rimoaldus
(c. 630 – c. 650)


De belangrijkste aanwijzing voor het vroege functioneren van Dorestad als handelscentrum vormen gouden munten van de Frankische monetarius Madelinus uit de eerste helft van de zevende eeuw. Muntslag was alleen zinvol als de markt van Dorestad toen minstens op interregionaal niveau draaide.
Madelinus was aanvankelijk werkzaam in Maastricht. Daar liet hij verschillende varianten van tremisses slaan. (3) Dat zijn gouden muntjes met een diameter van ongeveer 13 mm met op de voorzijde het omschrift TRIECTO FIT (in Maastricht geslagen) rond een buste naar Romeins voorbeeld. Van de jongste variant is ook een versie bekend waarbij dat omschrift door DORESTATI FIT (in Dorestad geslagen) was vervangen. Het omschrift op de keerzijde MADELINUS M (Madelinus monetarius) rond een (christelijk) kruis (waar oorspronkelijk de Romeinse Victoria stond) bleef onveranderd gehandhaafd. Blijkbaar bood Madelinus achtereenvolgens – of misschien wel voor een deel tegelijk – in de handelscentra Maastricht en Dorestad zijn diensten aan. (4) We weten niet of Madelinus voor de aanmunting van de tremisses ten behoeve van Dorestad ook daadwerkelijk naar het noorden verhuisde, maar dat is wel waarschijnlijk. Hij kon alleen een officina (werkplaats) in Dorestad vestigen als hij van plaatselijke machthebbers steun genoot en op zijn minst door hen beschermd werd. Daarbij is het is goed denkbaar dat hij niet permanent in Dorestad verbleef, bijvoorbeeld in het vaarseizoen als er kooplieden kwamen opdagen.
Het is moeilijk te zeggen wanneer dat precies gebeurde, want het is een lastige zaak om munten van Madelinus te dateren. Dat komt doordat daarop geen bekende heerser voorkomt en exemplaren maar zelden in een archeologisch dateerbare context worden aangetroffen. Daardoor is een absolute datering vrijwel onmogelijk, ook al kan door bestudering van gesloten schatvondsten en minutieus stempelonderzoek wel de relatieve chronologie van munten boven water komen. (5) Bovendien kunnen zo bepaalde varianten tot dezelfde muntwerkplaats gerekend worden, ook al hoeft de locatie daarvan niet precies bekend te zijn. Het kon echter ook gebeuren dat dezelfde stempels in meerdere muntwerkplaatsen gebruikt werden. Dat kan erop wijzen dat muntmeesters rondtrokken om munten aan te maken. Daarnaast is het mogelijk dat verschillende soorten munten in één atelier geslagen werden en vervolgens over meerdere plaatsen verspreid werden. Het is dus niet ondenkbaar dat op zijn minst een deel van de Dorestadmunten van Madelinus elders geslagen werd. Het blijft echter gissen. Van Madelinus weten we helemaal niets buiten de gegevens die we van zijn eigen exemplaren kunnen afleiden.
Een belangrijke aanwijzing voor de ouderdom vormt het goudgehalte dat in de loop van de tijd afnam van ongeveer 90% tot soms wel minder dan 10%. Dat is een algemene tendens die munten tijdens de ‘nationale fase’ in het hele Frankische Rijk vertonen. Het goudgehalte van de laatste variant van Madelinus uit Maastricht en dat van zijn munten uit Dorestad is hetzelfde en bedraagt ongeveer 50%. Daaruit kunnen we bij benadering afleiden dat aanmunting van deze tremisses in Dorestad omstreeks 630 moet zijn begonnen. Maar meer dan een ruwe schatting is het niet.
Naast de exemplaren van Madelinus zijn er ook tremisses uit Dorestad van Rimoaldus bekend. Deze monetarius was eerst werkzaam in de Maassteden Hoei en Maastricht, voordat hij tremisses met het omschrift Dorestad begon te slaan. Deze lijken sterk op de munten van zijn collega Madelinus. Op de voorzijde vinden we een gestileerd portret met het omschrift DORESTATE en op de keerzijde een kruis binnen een parelcirkel en het omschrift RIMOALDVSM (Rimoaldus monetarius). We weten heel weinig van zijn functioneren, want de munten die Rimoaldus in Dorestad sloeg zijn buitengewoon zeldzaam - er kunnen maar vijf exemplaren aan hem worden toegeschreven. (6) Het vermoeden bestaat dat hij al iets eerder in Dorestad actief was dan zijn collega Madelinus.

2. Gouden tremisses van het pseudo-Dorestat/Madelinustype
(c. 650 – c. 690)


Onder Friese heerschappij werd de Frankische muntslag in Dorestad overgenomen en voortgezet. Daarbij dienden de tremisses die Madelinus geslagen had, munten die een zekere betrouwbaarheid uitstraalden, als voorbeeld. (7) Waarschijnlijk werden er in het Friese kustgebied al imitaties aangemunt toen Madelinus nog in Dorestad werkzaam was. Het is zelfs niet ondenkbaar dat hij nog enige tijd in Dorestad actief bleef toen deze plaats al onder Friese invloed was geraakt. Het is overigens maar de vraag of Friese machthebbers controle over de muntslag uitoefenden in het gebied dat zij beheersten. Dat was later onder Frankisch bewind in ieder geval niet het geval. (8)
De Friese nabootsingen worden in de eerste plaats gekenmerkt door een verbasterde schrijfwijze van de opschriften. Aanvankelijk gaat het nog om kleine afwijkingen, zoals het ontbreken van de ‘I’ in DORESTATI, terwijl de beeldenaar en ook het goudgehalte nog sterk met de originele munten overeenkomt. Deze nauwelijks vertekende exemplaren zouden nog als echte Madelinusmunten aangemerkt kunnen worden. (9) Maar gaandeweg vertonen de imitaties steeds meer afwijkingen ten opzichte van de originelen, zowel wat stilistische kenmerken als het goudgehalte betreft. Vaak is de tekst volledig onleesbaar. Ongeletterde stempelmakers namen een oorspronkelijke munt over, waarbij ze zich soms niet eens realiseerden dat ze de tekst in spiegelbeeld moesten snijden. Erg belangrijk was de leesbaarheid echter niet. De opschriften waren toch onbegrijpelijk voor analfabete kooplieden. De vertrouwde karakters verhoogden wel de herkenbaarheid en daarmee de acceptatie van deze munten. Dat is ook de reden waarom algemeen gewaardeerde munten op grote schaal nagevolgd werden. Het was absoluut niet de bedoeling om wie dan ook te misleiden. Er is bij deze nabootsingen dan ook geen sprake van valsmunterij.
Uit de teruggevonden exemplaren blijkt dat er een overstelpende hoeveelheid stempels in vele varianten gesneden zijn. Ook in absolute aantallen onderscheiden de imitaties zich van de originelen, er zijn er zeker vijf keer zoveel van teruggevonden als van echte Madelinusmunten. Het kan niet anders of deze werden niet alleen in Dorestad, maar ook op andere plaatsen geslagen. Dergelijke muntwerkplaatsen - een weidse benaming voor vermoedelijk plaatselijke edelsmeden - moeten we vermoedelijk in onze kuststreken zoeken. Die veronderstelling werd in 2003 bevestigd met de vondst in Katwijk van een koperen plaatje met een proefslag van een pseudo-Madelinusmunt. (10) Het goudgehalte nam in de loop van de tijd steeds verder af tot nog geen 10%. Daarmee volgden de Friese navolgingen een algemene tendens die we ook bij Frankische munten kunnen waarnemen. Daaruit valt af te leiden dat de Friese exemplaren gedurende enige tientallen jaren werden aangemunt. De laatste emissies waren uiteindelijk volledig van zilver en werden waarschijnlijk tegen het einde van de zevende eeuw geslagen. Ze zijn soms met moeite nog herkenbaar als nabootsingen van de tremisses van Madelinus. (11)

3. Friese sceatta’s en Merovingische denarii
c. 690 – 754/755)


Sceatta van de ‘continentaal runen’ (serie D, type 2c] uit de vroege achtste eeuw, gevonden op het veilingterrein in Wijk bij Duurstede. De diameter is 11 mm. Dit type is mogelijk ook in Dorestad geslagen.

In 689 wist de Frankische hofmeier Pippijn van Herstal de Friezen tijdelijk naar het noorden te verdrijven, maar in 714 maakte de Friese koning Radbod zich voor enkele jaren weer meester van Dorestad. (12) In de periode waarin deze gebeurtenissen zich afspeelden, sloegen de Friezen kleine zilveren munten die tegenwoordig gewoonlijk als sceatta’s worden aangeduid en ongeveer 1,3 gram wegen. (13) Het is goed mogelijk dat de Friezen die ook in Dorestad hebben aangemunt. Op deze sceatta’s vinden we echter geen muntplaats of een merkteken dat op de herkomst kan duiden. Ze hebben vanwege de gestileerde beeldenaars fantasienamen gekregen, zoals ‘Wodan/monster’, ‘stekelvarken/standaard’ of ‘continentaal runen’. De laatstgenoemde serie werd vanaf het einde van de zevende eeuw tot ergens rond 710-720 in onze streken, vooral in het noorden van ons land, aangemunt. De periode waarin deze munten in roulatie waren, valt grotendeels samen met het bewind van Radbod, want deze stierf in 719. Meteen na zijn dood nam hofmeier Karel Martel zijn kans waar en trok met een Frankische legermacht naar het noorden. Hij kon met zijn troepen diep in het Friese territoir ten noorden van de Rijn doordringen en dit definitief bij het Frankische Rijk inlijven.
Merovingische tremisses, zoals die van Madelinus lijken tot voorbeeld te hebben gediend voor de sceatta’s van de ‘continentaal runen’ serie. Er moeten grote hoeveelheden van zijn aangemunt, totdat de productie ergens in het tweede decennium van de achtste eeuw plotseling gestaakt werd. (14) Een variant van deze reeks werd waarschijnlijk in het rivierengebied geslagen, misschien wel in Dorestad. Gezien de geschetste wisselende machtsverhoudingen kan dit type zowel onder Frankische als Friese heerschappij zijn aangemunt. (15)
In Wijk bij Duurstede zijn vele tientallen Friese en Angelsaksische sceatta's teruggevonden. (16) In het noordelijke havengebied werd een kleine muntschat van twaalf exemplaren aangetroffen. (17) Vooral tijdens recente opgravingen op het terrein van het ‘Veilingpark’ werden er opvallend veel ontdekt. Dat is niet zo vreemd, omdat hier vooral vroege nederzettingssporen, voornamelijk uit de zevende eeuw, zijn aangetroffen. Daarentegen kwamen tijdens het uitgebreide onderzoek van het noordelijke havengebied betrekkelijk weinig exemplaren tevoorschijn en dan nog speciaal in de bewoonde oeverzone uit de late Merovingische periode. Dat is overeenkomstig de verwachting, want de havenuitbreidingen in het beddinggebied zijn pas in de loop van de achtste eeuw tot stand gekomen. (18) Bovendien kwamen er sceatta’s bij baggerwerkzaamheden aan de zuidzijde van de Lek tevoorschijn. Dat is in de omgeving waar waarschijnlijk de oudste kern van Dorestad is ontstaan, een vermoeden dat door deze vondsten ondersteund wordt. (19)
Met het verdwijnen van de Frankisch-Friese grens in het rivierengebied veranderde de positie van de Dorestadhandel. Het handelsknooppunt lag nu niet langer op de grens van twee politieke sferen, maar bevond zich volledig binnen het Frankische Rijk. Daardoor was de greep van de Friese elite op de handel weggevallen. Lokale grondbezitters deelden voortaan samen met Frankische edellieden de lakens uit. Waarschijnlijk moeten we het staken van de aanmunting van Friese sceatta’s in het rivierengebied in dit licht zien. Het zou ook een verklaring kunnen zijn voor het opvallend lage percentage teruggevonden sceatta's in Wijk bij Duurstede vergeleken bij de vroegmiddeleeuwse handelsplaats Domburg, waar Friese invloed blijkbaar nog volop aanwezig was.(20) Die vinden we ook in het Noord-Nederlandse terpengebied waar een grote hoeveelheid sceatta's en weinig Frankische penningen zijn aangetroffen. Blijkbaar konden de Friezen zich daar een behoorlijke onafhankelijkheid permitteren.
De florerende handel doet vermoeden dat de muntslag in Dorestad onder Frankisch bewind werd gecontinueerd. Ondanks dat zijn er geen Frankische denarii bekend die in deze periode in Dorestad kunnen zijn geslagen. Wel zegt het relatief frequente voorkomen van munten uit het tijdvak 710-750 in de bodem van Wijk bij Duurstede iets over de bloeiende economie van Dorestad in deze periode. Volgens een inventarisatie uit 2003 maakten munten uit dit tijdvak 28,8% van alle losse vondsten uit. Ter vergelijking: er werden 6,9% tremisses uit de zevende eeuw, 6,4% sceatta’s en 58% Karolingische denarii geregistreerd. (21)

4. Zilveren denarii van Pippijn de Korte
(754/755 – 771)


Pippijn de Korte (751-768) ondernam verschillende militaire expedities in Aquitanië en Gascogne (het gebied ten zuiden van de Loire) en kon daardoor deze contreien, die sinds lang een semi-zelfstandige status binnen het rijk hadden en belangrijk waren vanwege de rijke zilvermijnen, definitief inlijven. De zilverproductie van deze mijnen kwam goed van pas, want Pippijn voerde aan het begin van zijn bewind een munthervorming door na een periode waarin munten almaar in zilvergewicht waren afgenomen.
Hij eigende zich het muntrecht toe en reglementeerde de muntslag die tot dan door vele zelfstandige monetarii was uitgevoerd. Voortaan werden overal in het Frankische Rijk denarii van hetzelfde type geslagen met de naam van de regerende vorst erop, net zoals de Romeinen dat deden. De nieuwe Karolingische penningen waren veel dunner dan hun Merovingische voorgangers. Ze behielden echter wel hetzelfde gewicht van ongeveer 1,3 gram. Daardoor hadden ze een grotere diameter dan voorheen, ongeveer 17 mm. Sindsdien golden deze zilveren penningen als enig wettig betaalmiddel. Op de voorzijde vinden we het monogram RF (rex Francorum, koning der Franken) of RP (Pippinus rex, koning Pippijn). Op de keerzijde staat in het muntveld PIPI, een afkorting van de naam Pippinus, die voorafgegaan wordt door een onduidelijk teken, misschien een N van nomen. Verder vinden we op deze zijde de afkorting van een muntplaats. (22)
In 1972 werden er in het havengebied van Dorestad 25 van dergelijke munten in een gesloten vondst aangetroffen. Bij vrijwel alle exemplaren is onderin het muntveld niet de naam van een muntplaats maar een symbool te vinden dat nog het meeste weg heeft van een laatmiddeleeuwse hellebaard, maar algemeen als ‘strijdbijl’ aangeduid wordt. Dit merkteken vinden we ook regelmatig op latere munten uit Dorestad van Pippijns zoon Karel de Grote. Daarom is het denkbaar dat deze strijdbijl een symbool voor Dorestad is. Dat is vooral waarschijnlijk omdat er geen munten van Pippijn zijn met de naam Dorestad erop, terwijl dit handelsknooppunt tijdens zijn regime een van de meest productieve koninklijke muntplaatsen moet zijn geweest. Enige voorzichtigheid is wel op zijn plaats, want dezelfde strijdbijl is een enkele keer ook op munten van Karel de Grote gevonden die zeker niet in Dorestad geslagen zijn. (23) Daarbij komt het vreemd voor dat er een wapen als symbool voor een handelsplaats is gebruikt.

5. Zilveren denarii van Karel de Grote, lichte reeks
(771 – 793/794)


Pippijns zoon Karel de Grote (768-814) zette de imperialistische politiek van zijn voorgangers met verve voort. Een maatregel die hij al vroeg nam, was het invoeren van een uniforme munt. Aanvankelijk werd nog de muntslag naar voorbeeld van zijn vader Pippijn voortgezet. (24) Maar al snel, waarschijnlijk in 771, kwam een munt met Karels naam CARO/LVS over twee regels verdeeld, waarbij de ‘A’ en de ‘R’ een gemeenschappelijke verticaal been hebben. Het oorspronkelijke gewicht van 1,3 gram bleef gehandhaafd, totdat er in 793/794 een zwaardere munt werd ingevoerd. Om de vroegste emissies van Karel de Grote van latere te kunnen onderscheiden, spreken we daarom van de lichte reeks. Op de keerzijde is meestal de naam van de muntplaats, al of niet afgekort, te vinden. In het geval van Dorestad is dat in de twee spellingvarianten DOR/STAT of DOR/STAD over twee regels verdeeld, met daarboven of -onder een strijdbijl. (25)
Als we op het teruggevonden aantal munten van dit type afgaan, dan was Dorestad in de tweede helft van de achtste eeuw samen met Melle in Zuidwest-Frankrijk, waar belangrijke zilvermijnen te vinden waren, de grootste muntplaats van het Frankische Rijk. Bovendien was Dorestad een van de voornaamste rijkstollen. Daar waren er wel meer van, maar van deze tolplaatsen was alleen Dorestad ook nog eens een omvangrijke muntplaats. Daarmee markeert deze muntreeks het begin van de economische hoogtijdagen, de ‘gouden eeuw’ van Dorestad.

6. Nabootsingen van denarii van Karel de Grote, lichte reeks
(vanaf c. 810)


Noordelijke navolgingen van Dorestadmunten van de lichte reeks van Karel de Grote. (Naar: Malmer 1966)

In 1972 werd in het noordelijke havengebied van Dorestad een tweede gesloten muntschat ontdekt waarvan alle aangetroffen negen exemplaren van Dorestadmunten van de lichte reeks van Karel de Grote een vervormde beeldenaar vertonen. Het betreft imitaties die veel minder wegen dan de originelen. Deze zijn in verschillende handelsplaatsen in Scandinavië, van Hedeby (Haithabu) tot Birka teruggevonden en zullen dan ook in noordelijke contreien zijn aangemunt. Op deze nabootsingen zien de letters van het opschrift DOR/STAD er vreemd uit, vooral de bovenste ‘D’ en ‘R’ zijn onherkenbaar veranderd. Soms zijn die vervormd tot identieke boogjes. In de loop van de tijd vertonen deze imitaties steeds meer een afwijkend beeld, waarbij letters tot onleesbare geometrische patronen zijn verworden. Ze zijn wat jonger dan hun voorbeelden en waarschijnlijk pas vanaf het begin van de negende eeuw geslagen toen de originele Frankische munten al lang uit productie waren. (26)
Het is geen toeval dat we bij de teruggevonden noordelijke exemplaren in de meeste gevallen met imitaties van munten uit Dorestad te maken hebben. Er waren aan het begin van de negende eeuw innige handelscontacten met Scandinavië.
Welbeschouwd zijn deze Scandinavische munten niet rechtstreeks navolgingen van Karolingische, maar van Friese voorbeelden die op hun beurt nabootsingen van originele Dorestadmunten zijn. Deze munten, die aan de wieg van het Scandinavische muntwezen hebben gestaan, zijn dus imitaties van imitaties. Ze zullen in het betalingsverkeer nauwelijks een rol hebben gespeeld en zijn dan ook vrijwel uitsluitend in de vorm van sieraden uit grafvondsten bekend.
Op verschillende exemplaren is de naam van de muntplaats vervangen door een symbool, zoals een hert of een schip. (27) Hier hebben we dus niet met imitaties, maar met herinterpretaties te maken. Het zal niet verbazen dat er op enkele munten typische Scandinavische vaartuigen met gekromde stevens en een rij schilden voorkomen. Toch vinden we vooral afbeeldingen van een heel andere type, van schepen met vlakke bodems en opvallend hoge, rechte voor- en achterstevens die eerder op Friese waddenvaartuigen lijken. Het is niet ondenkbaar dat deze munten door Friezen of in ieder geval onder Friese invloed in een havenplaats, zoals Hedeby, geslagen zijn.

7. Zilveren denarii van Karel de Grote, monogram
(793/794 – c. 812)

In 794 vaardigde Karel de Grote in Frankfurt een decreet uit waarin verordend werd dat voortaan overal novi denarii (nieuwe penningen) in het betalingsverkeer verplicht waren en door iedereen geaccepteerd moesten worden. (28) Blijkbaar waren die kort daarvoor in omloop gebracht. Uit de bepalingen van de koning blijkt dat alle bestaande munten aan de circulatie werden onttrokken en vervangen door exemplaren van ongeveer 1,7 gram. Daarmee waren de nieuw uitgegeven munten aanzienlijk zwaarder dan hun voorgangers die slechts 1,3 gram wogen. De speels aandoende opschriften van de vorige emissie waren vervangen door regelmatige letters die er vormelijk en klassiek uitzien. Rond een Karolingisch kruis was tussen twee geparelde cirkels het omschrift +CARLVS REX FR (Carolus rex Francorum, Karel koning der Franken) opgenomen. Op de keerzijde vinden we in het muntveld het Karolusmonogram (de letters KRLS rond een ruit) met daaromheen tussen twee parelcirkels een omschrift dat de muntplaats aangeeft. Voor Dorestad is de tekst van dat omschrift +DORESTADO. (29) Ook nadat Karel de Grote in 800 tot keizer gekroond was, bleven deze munten met koningstitel nog enige jaren in omloop. Want munten van Karel de Grote met keizerstitel zijn uitermate zeldzaam, terwijl het zeer onwaarschijnlijk is dat er ineens zo weinig munten geproduceerd zouden zijn. Van dit monogramtype zijn zo´n 40 muntplaatsen bekend. De meeste munten zijn in Melle, Pavia en Milaan geslagen. Dorestad nam met plaatsen, zoals Mainz, een tweede plaats in als we afgaan op het aantal teruggevonden exemplaren van dit type.
Precies hetzelfde monogramtype kennen we van de West-Frankische koning Karel de Kale die een halve eeuw later dezelfde titulatuur en net zo’n monogram gebruikte als zijn grootvader Karel de Grote. Beide munten zijn dan ook moeilijk uit elkaar te houden. Dorestad heeft echter nooit tot het West-Frankische Rijk van Karel de Kale behoord. Voor alle Dorestadmunten met het omschrift CARLVS REX FR moet dan ook uitsluitend Karel de Grote als muntheer zijn opgetreden.
Naast de gebruikelijke denarii werden er tijdens het bewind van Karel de Grote op kleinere schaal zilveren munten geslagen die obolus heten. Deze obolen, die ook in Dorestad zijn aangemunt, wegen de helft van een denarius en zijn ook kleiner. (30) De beeldenaar is gebaseerd op die van de denarii van het monogram-type.

8. Zilveren denarii van Karel de Grote, keizerlijke buste
(812 – 814)

Bezoeken van Karel de Grote aan Rome en zijn contacten met de Byzantijnse wereld hadden zijn belangstelling voor de klassieke oudheid gewekt. Die interesse voor het klassieke verleden zien we ook terug in de Romeins ogende munten die op beperkte schaal aan het einde van de regeringsperiode van Karel de Grote geslagen werden. Er zijn er maar weinig van teruggevonden. Ze werden waarschijnlijk vanaf 812 aangemunt, nadat Byzantium Karels keizerlijke status erkend had. (31)
Deze denarii vertonen de gelauwerde buste van Karel de Grote en diens naam in het omschrift, inclusief keizerlijke titel die hij in 800 verworven had: KAR(O)LVS IMP AVG (Karolus imperator augustus, de verheven keizer Karel). Soms komen we een bijzonder lange tekst tegen die wel wat op een rebus lijkt: DNKARLVSIMPAVGRFETL (dominus noster Karlus imperator augustus rex Francorum et Langobardorum, onze heer de verheven keizer Karel, koning van de Franken en de Langobarden). Het is duidelijk dat deze uitgave vooral bedoeld was om het prestige en de macht te onderstrepen die de keizer wilde uitstralen. Op de keerzijde vinden we soms een gestileerd kerkgebouw met het omschrift XPISTIANA RELIGIO (christiana religio, de christelijke godsdienst). We kunnen dit als een verwijzing naar de positie van de vorst als hoeder van het christendom beschouwen. In de numismatiek wordt de afgebeelde kerk steevast als ‘tempel’ aangeduid. Het omschrift christiana religio is soms vervangen door de naam van een muntplaats rond een embleem van die plaats. Zoals oude Romeinse civitates door een stadspoort gesymboliseerd werden, koos men voor de havenplaatsen Quentovic en Dorestad een schip als een voor de hand liggend zinnebeeld. Dorestad vinden we als +DORESTADO in het omschrift opgenomen. (32)

9. Zilveren denarii van Lodewijk de Vrome, keizerlijke buste
(814 – 818)

In de eerste jaren van de regeringsperiode van Lodewijk de Vrome (814-840) werd een aangepaste versie van de laatste muntserie van Karel de Grote voortgezet. Op de voorzijde is een gelauwerde buste afgebeeld met het omschrift HLVDOVVICVS IMP AVG (Hludowicus imperator augustus, de verheven keizer Lodewijk). Op de keerzijde vinden we een kerkgebouw met in het omschrift XPRISTIANA RELIGIO (christiana religio, de christelijke godsdienst). Net als bij de vorige serie was het omschrift bij Dorestad en Quentovic vervangen door de naam van de muntplaats rond het embleem van die plaats. Voor Dorestad was dat DORESTATVS rond een schip. (33) Daarmee greep men weer terug op de oude spelling van Dorestad met een ‘T’. Munten van deze serie worden betrekkelijk weinig teruggevonden omdat de meeste exemplaren al in 818 omgemunt werden, maar ze zijn niet zo zeldzaam als exemplaren uit de laatste serie van Karel de Grote.
Net zoals dat al tijdens het regime van zijn vader gebeurde, werden er onder Lodewijk de Vrome op beperkte schaal obolen geslagen, zilveren munten met de halve waarde van een penning. (34)

10. Zilveren denarii van Lodewijk de Vrome met muntplaats
(818 – 822/823)


Zilveren denarius van Lodewijk de Vrome met op de voorzijde tussen de armen van het kruis en op de keerzijde tussen de letters ‘S’ en ‘T’ een merkteken dat waarschijnlijk een administratieve betekenis had.

Lodewijk de Vrome zag het als zijn taak om de vele door zijn vader gerealiseerde uitbreidingen van het rijk te bestendigen en voerde daartoe op bestuurlijk niveau vele reorganisaties door. Ook het muntwezen werd onderhanden genomen. In een decreet van Lodewijk de Vrome uit 818 is sprake van nova moneta. (35) Dit ‘nieuwe geld’ was in feite een voortzetting van de monogramserie van Karel de Grote. (36) Rond een Karolingisch kruis is tussen twee parelcirkels het omschrift +HLVDOVVICUS IMP (Hludowicus imperator, keizer Lodewijk) opgenomen. In het muntveld op de keerzijde staat de muntplaats in een of meerdere regels. De muntplaatsen die op teruggevonden exemplaren voorkomen, zijn over het hele rijk verspreid. Vooral Dorestad is goed vertegenwoordigd, blijkbaar was de munt van Dorestad in deze periode zeer productief. De grote hoeveelheid munten zegt iets – maar niet alles – over het handelsvolume. We komen de naam van de muntplaats in drie regels tegen als DOR/ESTA/TVS. Het is opvallend dat de munten uit Dorestad extra merktekens vertonen. (36) Aanduidingen tussen de armen van het kruis of tussen de letters van de muntplaats kunnen een administratieve betekenis hebben die nodig was voor een grote productie gedurende een reeks van jaren. Misschien werden er aparte merktekens gebruikt om achtereenvolgende emissies van elkaar te kunnen onderscheiden.
De enorme muntproductie in Dorestad resulteerde in een gestroomlijnd proces, waarbij de aanmaak van muntstempels werd vereenvoudigd. Van oudsher werden er moeizaam figuren en karakters in een stempel gegraveerd, maar voortaan werden die eenvoudigweg met verschillend gevormde ponsoenen in een stempel gedreven. Munten die met dergelijke stempels geslagen zijn, kenmerken zich doordat de rechthoeken, driehoeken en andere vormen van de ponsoenen nogal eens afzonderlijk herkenbaar zijn. Deze arbeidsbesparende wijze van stempelfabricage werd overigens op den duur ook bij andere muntateliers in het Frankische Rijk ingevoerd.
Behalve de stempelfabrikage werd ook het proces van de muntslag zelf vereenvoudigd door de boven- en onderstempels te voorzien van vierkante kragen en randen die in elkaar grepen. Het gevolg was dat beide stempels altijd recht boven elkaar gehouden moesten worden, waardoor de kans op misslagen veel kleiner was. Door deze werkwijze ontstond een regelmatige stempelstand waarbij de voor- en de keerzijde maar op vier verschillende manieren ten opzichte van elkaar gepositioneerd konden worden. Dit verschijnsel vinden we alleen bij munten uit Dorestad. Dat is bijzonder, want in andere muntplaatsen gebeurde dat op een willekeurige manier. Het is opmerkelijk dat dit fenomeen ook al voorkwam bij sommige reeksen Anglo-Friese sceatta’s.

11. Zilveren denarii van Lodewijk de Vrome, christiana religio
(822/823 – 840)


Zilveren denarius van Lodewijk de Vrome met het omschrift christiana religio. Dit exemplaar is vermoedelijk in Dorestad geslagen. Dat is te zien aan de niet erg vakkundige en ruwe uitvoering van de beeldenaar. Opvallend is de spiegelbeeldige ‘S’ op zowel de voor- als de keerzijde.

In een verordening getiteld Admonitio ad omnes regni ordines (Sommatie aan alle onderdanen van het rijk) uit 825 bepaalde Lodewijk de Vrome dat al het muntgeld dat door nieuwe penningen was vervangen, uit de circulatie moest worden genomen en diende te worden omgemunt. Na Sint-Maarten (11 november) werd alleen nog het type dat de laatste drie jaar, sinds 822 of 823 was uitgegeven, als legaal beschouwd. Overtreding zou net zo worden bestraft als valsmunterij. Plaatselijke graven en hun vertegenwoordigers waren verantwoordelijk voor het inzamelen van de ongeldige denarii. Gezanten werden naar iedere graafschap gestuurd om er op toe te zien dat het decreet van Lodewijk naar tevredenheid werd uitgevoerd. (37)
De nieuwe penning waarop de verordening doelde, vertoont net als de voorgaande reeks op de voorzijde een Karolingisch kruis met daar omheen tussen twee parelcirkels het omschrift HLVDOVVICUS IMP (Hludowicus imperator, keizer Lodewijk). Op de keerzijde staat in het muntveld een gestileerd kerkgebouw (‘tempel’) met in het omschrift XPISTIANA RELIGIO (christiana religio, het christelijke geloof). In vrijwel alle gevallen ontbreekt een muntplaats. Dit past goed bij de politiek van Lodewijk de Vrome om van het rijk een eenheid te smeden. Er is slechts een uiterst zeldzame variant bekend waarbij het omschrift christiana religio is vervangen door DORESTATVS MON. Deze zijn waarschijnlijk pas vanaf 839 of 840, dus tegen het einde van de regeringsperiode van Lodewijk de Vrome, geslagen. Dat was in een tijd waarin de eerste tekenen van de verbrokkeling van het rijk zich begonnen te manifesteren. Behalve uit Dorestad is dit afwijkende type ook uit Maastricht bekend. (38)
De regelmatige stempelstand van de munten met muntplaats die voor 822/823 geslagen werden, vinden we ook bij bepaalde varianten van de christiana religio-emissie. Daardoor is het aannemelijk dat deze eveneens in Dorestad geslagen zijn, te meer daar deze in grote aantallen in schatvondsten uit ons land bekend zijn. (39) Ook stilistische overeenkomsten met munten die wel de muntplaats Dorestad vermelden, wijzen in die richting. De exemplaren die aan Dorestad worden toegeschreven, zijn vaak nogal ruw uitgevoerd met dikke, slecht gevormde afbeeldingen en karakters. Het kruis op de voorzijde is nogal groot uitgevallen, de ‘tempel’ is gedrongen en ruw uitgevoerd. Soms zijn er merktekens naast of onder dit gebouw te vinden of is de ‘S’ gespiegeld. (40)
De christiana religio-reeks is verreweg de meest voorkomende Karolingische muntsoort waarvan veel exemplaren zijn teruggevonden. Stukken van deze reeks – al of niet in Dorestad geslagen – zijn verreweg de meest voorkomende in de bodem van Wijk bij Duurstede. In 2002 werden 17 munten bij elkaar gevonden die vermoedelijk bij elkaar in een beurs hadden gezeten. Ze waren afkomstig uit muntplaatsen, zoals Trier en Venetië, maar geen enkel exemplaar was in Dorestad geslagen. (41) Toch moeten er alleen al in Dorestad aanzienlijke hoeveelheden van zijn aangemaakt. Sterker nog, geen enkele andere muntplaats heeft er tussen 822/823 en 840 zoveel geproduceerd. Vermoedelijk was dit een gevolg van de bloeiende handel met Scandinavië, waar Dorestad in het bijzonder van profiteerde. (42)
De Friese kustbewoners hadden de Karolingische munthervorming van 793/794, waarbij het gewicht van een penning naar 1,7 gram werd verhoogd, niet nagevolgd. Zij bleven vasthouden aan het oude gewicht van 1,3 gram. Daardoor is het verklaarbaar dat er veel munten van het christiana religio-type die in het noordelijke kustgebied zijn teruggevonden, aanmerkelijk lichter zijn dan 1,7 gram. Deze Friese imitaties moeten ter plaatse en niet in Dorestad of in andere officiële Frankische muntplaatsen geslagen zijn. Ze zijn herkenbaar aan verbasterde opschriften en soms aan afwijkende merktekens, zoals een halve cirkel onder de ‘tempel’. (43) Originele munten vormen maar een gedeelte van alle teruggevonden exemplaren die vooral in het noorden van ons land in grote hoeveelheden zijn opgedoken.

12. Zilveren denarii van Lotharius I, christiana religio
(839/840 – c. 850)


Nog voor de dood van Lodewijk de Vrome in juni 840 werden er al denarii van Lotharius aangemunt naar voorbeeld van de christiana religio-reeks van zijn vader. Op de voorzijde staat een Karolingisch kruis met daar omheen tussen twee parelcirkels het omschrift HLOTARIVSIMP (Hlotharius imperator, keizer Lotharius). Op de keerzijde staat een 'tempel' met het omschrift XPISTIANA RELIGIO (christiana religio, het christelijke geloof). Van deze munten zijn exemplaren gevonden waarvoor voor de keerzijde dezelfde stempel is gebruikt als voor exemplaren van Lodewijk de Vrome. We mogen aannemen dat die pas in 839 of 840 zijn aangemunt.
Sommige varianten van dit christiana religio-type vertonen, net als de in Dorestad geslagen munten van Lodewijk de Vrome, een regelmatige stempelstand en kunnen daarom heel goed in Dorestad zijn aangemunt.
Na de dood van de keizer werd het rijk onder zijn zonen Lotharius I, Lodewijk de Duitser en Karel de Kale verdeeld. Dorestad kwam in het Middenrijk van Lotharius te liggen, waardoor de muntproductie in Dorestad ongewijzigd met de naam van Lotharius kon worden voortgezet.

13. Zilveren denarii van Lotharius I, muntplaats rond ‘tempel’
(840 – c. 850)


Onder de munten van Lodewijk de Vrome komen we een zeldzame variant tegen waarbij het omschrift XPISTIANA RELIGIO was vervangen door DORESTATVS MON. Dit type werd tijdens het bewind van Lotharius gehandhaafd. Op de voorzijde vinden we weer de naam van de keizer, zij het dat deze vrijwel steeds verhaspeld werd tot aanduidingen zoals +IOTAMVS IPNEIRAT of allerlei varianten daarop, waarin we Hlotharius imperator (keizer Lotharius) kunnen herkennen. (44) Deze verminkte schrijfwijze doet vermoeden dat we in veel gevallen met imitaties te maken hebben. In andere muntplaatsen werd de naam van de keizer, afgezien van kleine afwijkingen, steeds goed gespeld.
Bij een aantal van de gevonden munten doet de regelmatige stempelstand en met ponsoenen gevormde karakters vermoeden dat deze in Dorestad zijn geproduceerd, vermoedelijk in de eerste jaren van het bewind van Lotharius. Andere exemplaren missen echter de typische kenmerken van de munt van Dorestad. (45) Voorts is het opvallend dat de muntplaatjes groter en ook dunner zijn dan gewoonlijk. Ze zijn zo dun dat een afdruk van het verticale been van het kruis op de voorzijde door de ‘tempel’ op de keerzijde heen schemert. (46) We hebben in dit geval waarschijnlijk met navolgingen te maken die overal in onze kuststreken zijn teruggevonden. Alleen al in Tzummarum in Westergo werden er in een muntschat 2600 exemplaren van ontdekt. (47) Deze imitaties werden overigens nog lang na de dood van Lotharius geslagen. Blijkbaar kon het Friese muntwezen zich in het noordelijke kustgebied onverminderd handhaven, terwijl de Frankische vorsten steeds meer hun grip op onze gewesten verloren. Dat vinden we weerspiegeld in de verhouding tussen het betrekkelijk geringe aantal officiële Frankische munten en de vele Friese imitaties.

14. Zilveren denarii van Lotharius I, muntplaats
(c. 850 – c. 875)


In de nadagen van keizer Lotharius I, ongeveer vanaf 850, werden denarii aangemunt waarbij de ‘tempel’ op de keerzijde vervangen was door een muntplaats uit het Middenrijk, zoals Dorestad, Keulen, Trier, Metz, Kamerijk, Hoei of Maastricht, die we op deze munten in enkele regels tegenkomen. (48) Dorestad wordt steevast in drie regels weergegeven: DOR/ESTA/TUS. Ook nu weer is op de voorzijde de naam van de keizer verbasterd weergegeven, zoals +HLOTHIARIVS IMPERA of +HIOTIAIVS IIEIA. (49) Het lijkt er op het eerste gezicht dus op dat we ook in dit geval met Friese imitaties te maken hebben. Deze munten vertonen echter de karakteristieke kenmerken van de Dorestadse munt, zoals we die bij voorgaande reeksen tegenkwamen. De foutieve spelling van de naam van de keizer kan desondanks wel verklaard worden.
In 850 droeg keizer Lotharius Dorestad in leen over aan de Deense krijgsheer Hrœrekr (Rorik) die de handelsplaats toen al enkele jaren bezet hield, ‘op voorwaarde dat hij trouw de belastingen zou innen en andere zaken die de koninklijke fiscus betroffen’. (50) Daartoe kunnen we ook de muntslag in Dorestad rekenen. De controle die de Karolingische vorsten op het muntwezen uitoefenden, was echter in de loop van de negende eeuw verslapt. Daardoor konden plaatselijke potentaten munten produceren die niet aan de koninklijke voorschriften voldeden. (51) Dat zien we aan de foutieve spelling van de naam van de keizer. Bovendien bleven deze munten in productie totdat Hrœrekr van het toneel verdween, ergens na 873. Lotharius was toen al bijna twintig jaar dood. Niet alleen in onze streken, maar ook in de Danelaw – het door Denen beheerste gebied in Engeland – en in Normandië zijn waarschijnlijk munten naar Karolingisch voorbeeld onder Scandinavische krijgsheren geslagen. (52)
Vermoedelijk vertrokken koninklijke beambten die verantwoordelijk waren voor de muntslag in Dorestad met de komst van de Denen. Die moesten voortaan het muntatelier bemannen met hun eigen mensen die niet zo bedreven waren als hun Frankische vakgenoten. (53) Misschien konden zij aanvankelijk nog munten slaan met toevallig achtergebleven stempels. Toen die versleten raakten, moesten er nieuwe stempels worden aangemaakt, waarbij de bestaande technieken blijkbaar gehandhaafd bleven. (54)
De munten die onder de heerschappij van de Deense krijgsheer in Dorestad werden geslagen, zijn van lage kwaliteit en vertonen vaak dezelfde kenmerken als Friese imitaties. Het is dan ook in veel gevallen moeilijk om uit te maken of we met een officieel stuk uit Dorestad te maken hebben of niet.
Er zijn er relatief weinig van teruggevonden. Daarmee lijkt het begin van de Deense heerschappij een omslagpunt in de economische ontwikkeling van Dorestad te markeren. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat we het einde van Dorestad ergens rond 875 moeten dateren. Het optreden van Hrœrekr viel dus in de nadagen van Dorestad. Dat blijkt ook uit de wijd verbreide munten van de West-Frankische koning Karel de Kale met het omschrift GRATIA DEI REX (bij Gods gratie koning) die vanaf 864 in grote hoeveelheden zijn aangemaakt, maar in de bodem van Wijk bij Duurstede juist heel schaars zijn. (55) Dat wijst op geringe economische activiteiten in Dorestad in deze periode, ook al was de handelsplaats vanouds meer op het Maas-Rijngebied dan op West-Francië georiënteerd.

15. Zilveren denarii van de laatste Karolingen
(na c. 875)


Zilveren denarius, gevonden in de Betuwe met de muntplaats ORES/TATAS.
(naar Van Herwijnen en Ilisch, 'A medieval coin find'.)

In de laatste decennia van de negende en in het begin van de tiende eeuw werden penningen geslagen waarbij in het muntveld op de keerzijde de muntplaats Dorestad in twee regels is weergegeven: DORES/TATAS. Deze tweeregelige notatie is uitzonderlijk, want in eerdere emissies vinden we die steeds in drie regels. Daarmee lijken deze munten geen navolgingen van drieregelige voorbeelden, zoals de laatste Dorestadserie van Lotharius. (56) Ze lijken eerder op munten die vanaf het einde van de negende eeuw in het Oost-Frankische Rijk werden geslagen en waarop doorgaans tweeregelige muntplaatsen voorkomen. Bij exemplaren met schrijfwijzen zoals IOIIIS/TATAS of NORE/ITATA voor Dorestad kunnen we vraagtekens zetten vanwege de merkwaardige spelling. Door hun zeldzaamheid – er zijn maar enkele stukken in het centrale rivierengebied aangetroffen – weten we nog maar heel weinig van deze munten. (57) Op een exemplaar dat bij de Linge werd gevonden, is aan de voorzijde rond een kruis het omschrift ARNOLFV(S) opgenomen, waarin we misschien de Oost-Frankische vorst Arnulf van Karinthië (887-899) kunnen herkennen. (58) Dat is echter niet de enige mogelijkheid. Vanwege het tanende centrale gezag gingen plaatselijke gezagdragers tegen het einde van de negende eeuw zelf maatregelen nemen om muntplaatsen binnen hun gebied veilig te stellen. Ze lieten hun eigen munten slaan waarvan gewicht en zilvergehalte steeds meer van de koninklijke standaard begonnen af te wijken. Die verschilden daardoor per plaats van waarde, ook al was die formeel door het centrale gezag vastgelegd. Net als op andere gebieden konden plaatselijke potentaten blijkbaar in toenemende mate hun invloed met betrekking tot muntslag naar believen uitoefenen.
Zoals de koning in de loop van de tijd steeds meer tol- en marktrechten aan abten en bisschoppen overdroeg, werd hun eveneens het muntrecht verleend. Ook wereldlijke machthebbers kregen dergelijke rechten in handen. Door deze versnippering van het muntrecht verwaterde de centralisatie van het muntwezen zoals de vroege Karolingen die voor ogen hadden. Het aantal muntplaatsen nam toe, terwijl het aantal munten in circulatie juist door een teruglopende economie af nam. (59)
Het is daarom goed denkbaar dat de Arnolfus die op de munt bij de Linge genoemd wordt een plaatselijke machthebber is en niet Arnulf van Karinthië. We zouden dan bijvoorbeeld aan de Vlaamse graaf Arnulf I de Grote (918-965) kunnen denken die een autonoom territoriaal vorstendom ontwikkelde. Daardoor kon hij zich verschillende koninklijke rechten, waaronder het muntrecht, toe-eigenen. Als we op de betreffende munt werkelijk met deze graaf te maken hebben, dan is het niet erg waarschijnlijk dat we de muntplaats op de keerzijde als Dorestad moeten interpreteren.
Op andere exemplaren is de muntheer onleesbaar, maar sommige munten vertonen overeenkomsten met imitaties van denarii uit Straatsburg die in Friesland gevonden zijn met het omschrift HLVDOVVICVSPIVS (Hludowicus Pius, niet Lodewijk de Vrome, maar Lodewijk het Kind). (60) Deze bezette de Oost-Franksche troon van 899 tot aan zijn dood in 911. Het is dus goed denkbaar dat we, althans voor een deel, met navolgingen te maken hebben die in het Friese kustgebied werden aangemunt.
In 896 liet koning Zwentibold in Nijmegen een oorkonde opstellen, waarin kooplieden die onder de hoede van de bisschop van Utrecht stonden, voortaan in andere plaatsen in het bisdom, in het bijzonder in Deventer en Tiel, dezelfde rechten en bescherming als in Dorestad zouden genieten. Daarmee bezegelt deze oorkonde in feite het einde van Dorestad als koninklijke handelsplaats. Tiel was voortaan de nieuwe tussenschakel in het handelsverkeer tussen het Noordzeegebied en het stroomopwaarts van de Rijn gelegen achterland en werd daarmee aan het einde van de negende eeuw een ideale vestigingsplaats voor kooplieden. Bovendien zou deze havenplaats in de tiende en elfde eeuw het belangrijkste steunpunt van de koning in het rivierengebied worden. In de loop van de tiende eeuw werd er tol geheven en een rijksmunt gevestigd. Daardoor is het het ook mogelijk dat de munten met het opschrift DORES/TATAS na 896 in Tiel geslagen zijn, de plaats waarnaar kooplieden uit Dorestad waren verhuisd en waar twee exemplaren van deze munten werden gevonden. In dat geval werden de kenmerken van Oost-Frankische munten uit de late negende en vroege tiende eeuw gecombineerd met de vertrouwde naam van Dorestad. Het verschijnsel van het handhaven van een oude naam kwamen we al eerder tegen. Meer dan een mogelijkheid is het echter niet.

Begin van de pagina

Startpagina