Dorestad

onthuld
Muntslag

Startpagina

navolging van een Dorestadmunt
van Madelinus

Madelinus
In het tweede kwart van de zevende eeuw werden er in Dorestad gouden tremisses geslagen door de monetarii ('muntmeesters') Rimoaldus en vooral Madelinus die uit het Maasgebied afkomstig waren. Daar kwamen ook de machtige Frankische hofmeiers van het geslacht van Pippijn van Landen en zijn nakomelingen vandaan. De munten vertonen aan de ene zijde een christelijk kruis met daar omheen de naam van de monetarius die verantwoordelijk was voor de productie. Aan de andere zijde staat een gestyleerde buste naar Romeins voorbeeld met daar omheen de naam van de plaats waar de munt geslagen is: DORESTATI FIT (in Dorestad geslagen).

Muntwerkplaats
We weten niet of de Maastrichtse monetarii voor de aanmunting van tremisses ten behoeve van Dorestad ook werkelijk naar het noorden verhuisden, maar dat is wel waarschijnlijk. Zij konden alleen een officina (werkplaats) in Dorestad vestigen als zij ook werkelijk door plaatselijke machthebbers beschermd werden.
Hun positie is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk waren zij zelfstandige ondernemers die 'op bestelling' werkten en geen koninklijke beambten, zoals de latere muntmeesters. Het is aannemelijk dat zij de muntateliers beheerden en opdracht gaven aan stempelsnijders en ambachtslieden die de munten sloegen. In ieder geval profileerden zij zich door hun eigen naam op munten te vermelden die onder hun supervisie geslagen werden. Die naam diende blijkbaar als een soort kwaliteitsmerk dat voor een zekere autoriteit stond. Daarmee was hun naam, en ook die van een bekende muntplaats, een soort handelsmerk dat vertrouwen uitstraalde. In het handelsverkeer is vertrouwen immers het sleutelwoord.
Zij lieten munten slaan van hetzelfde gewicht en ongeveer dezelfde afbeelding, ook al zaten ze verspreid over het hele rijk. Ofschoon ze tamelijk zelfstandig opereerden, volgden deze monetarii blijkbaar wel bepaalde conventies. Het is niet bekend of zij ook koninklijke voorschriften naleefden. Het feit dat de naam van de koning ontbreekt, doet vermoeden dat die niet direct bij de muntslag betrokken was.
Hoewel de gouden munten uit Dorestad lastig nauwkeurig te dateren zijn, is het op grond van goudgehalte aannemelijk dat deze tremisses sinds het tweede kwart van de zevende eeuw geslagen werden. Muntslag was alleen zinvol als de markt van Dorestad toen al enige tijd op interregionaal niveau functioneerde.

zilverschat gevonden in Wijk bij Duurstede
Schrijfwijzen van Dorestad
op munten

DORESTATE
7e-8e eeuw
Prou Monn. Mérov. 1223

DORESTATI
7e-8e eeuw
Prou Monn. Mérov. 1224

DORESTAT
7e-8e eeuw
Prou Monn. Mérov. 1226, 1227

DORSTAD
768-781
Prou Monn. Carol. 56

DORSTAT
768-781
Prou Monn. Carol. 58

DORSTAD
781-800
Prou Monn. Carol. 62

DORESTATUS
814-840
Prou Monn. Carol. 63-68

DORESTATUS
9e eeuw
Prou Monn. Carol. 69-78

literatuur:
Prou, M. M., Les monnaies Merovingiennes (Paris 1892).
Prou, M. M., Les monnaies Carolingiennes de la Bibliothèque nationale (Paris 1896).

Romeins Mercuriusbeeldje
van De Horden
-
het beeldje lijkt een
voorbode te zijn van de middeleeuwse Dorestadhandel

Zilveren munten
Voor het handelsverkeer vertegenwoordigden de gouden tremisses meestal een veel te grote waarde. Daarom begonnen de Franken vanaf ongeveer 670 kleine zilveren munten te slaan, die net als hun Romeinse voorgangers denarii, denieren of penningen genoemd werden, maar veel lichter waren.
Halverwege de achtste eeuw eigende koning Pippijn de Korte zich het muntrecht toe en reglementeerde de muntslag die tot dan door vele zelfstandige monetarii was uitgevoerd. Voortaan werden overal in het Frankische Rijk denarii van hetzelfde type geslagen met de naam van de koning erop. De nieuwe Karolingische penningen waren veel dunner dan hun Merovingische voorgangers. Ze behielden echter wel hetzelfde gewicht van ongeveer 1,3 gram, waardoor ze een veel grotere diameter hadden dan voorheen. Sindsdien golden deze munten als enig wettig betaalmiddel en vertoonden ze weer de beeldenaar en de naam van de koning, zoals CARLVS IMP AUG, de verheven keizer Karel (de Grote) of HLVDOVICVS IMP, keizer Lodewijk (de Vrome). Op de keerzijde vinden we soms afbeeldingen, zoals een schip op munten die in Quentovic en Dorestad waren geslagen. Ze weerspiegelen het maritieme karakter van deze handelsplaatsen. Vaak vinden we ook een gestileerd kerkgebouw met het omschrift XPISTIANA RELIGIO (het christelijk geloof). Daarnaast werden er meer eenvoudig ogende munten geslagen met alleen een monogram en een christelijk kruis.

Munthervormingen
Pippijns zoon Karel de Grote hervormde het muntwezen en verhoogde daarbij het gewicht van een penning naar 1,7 gram. Er zouden nog meerdere munthervormingen volgen. Onder Karels regime werden denarii geslagen met het opschrift DORSTAD, vergezeld van een gestyleerde strijdbijl, een symbool dat we ook al bij zijn vader Pippijn tegenkomen. Latere munten die tijdens het bewind van Karel de Grote zijn uitgegeven vertonen in Dorestad het opschrift DORESTADO. Denarii die tijdens de regeringsperiode van Lodewijk de Vrome en diens zoon Lotharius I in Dorestad zijn aangemunt hebben het opschrift DORESTATVS.
Behalve in Dorestad zelf zijn er ook veel munten met het opschrift DORESTATVS in het Friese kustgebied geslagen. Op deze Friese imitaties vinden we allerlei vervormde opschriften zoals het verbasterde IOTAMVSIPNEIRAT in plaats van het officiële HLOTARIVSIMP, keizer Lotharius. Voor degenen onder wie dit geld circuleerde maakte dat niets uit, zij konden toch niet lezen.

zilveren penning
van Lodewijk de Vrome
gevonden in Wijk bij Duurstede

zilveren munt
uit Dorestad
met schip

curieuze dubbelslag van een 'xpristiana religio' penning
Begin van de pagina

Startpagina