Dorestad

onthuld
Dorestad als landstreek

Startpagina

bronzen vogelspeld, De Geer


In 839 hielden Deense warlords de vicus, de handelsplaats Dorestad in leen. De plaats was belangrijk genoeg om in het kader van een rijksdeling in datzelfde jaar afzonderlijk genoemd te worden naast het hertogdom Frisia en de graafschappen Hamaland, de Betuwe en Teisterbant. Vanaf 850 werd Dorestad echter steeds zonder verdere aanduiding genoemd als de kern van het machtsgebied van de Deen Hrœrekr. Keizer Lotharius I droeg hem toen 'Dorestad en andere graafschappen' in leen over.
Het lijkt er dus op dat er met Dorestad een omvangrijker gebied bedoeld werd dan alleen de handelsnederzetting. Sommige historici rekenen zelfs het kerkelijke centrum Traiectum tot Dorestad, ook al lag dat 25 kilometer van de handelsplaats verwijderd. Dat was over land of per schip langs de Rijn al gauw een dagreis. Zij baseerden hun mening op teksten, zoals van Rimbert, de biograaf van de missionaris Anskar. Volgens hem waren er aan het begin van de negende eeuw 'veel kerken, heilige plaatsen en priesters' in Dorestad. Dat valt moeilijk te rijmen met de twee kerken die de handelsplaats hooguit rijk was. We moeten dan ook aannemen dat de naam Dorestad ruim opgevat werd en er vermoedelijk andere kerken meegeteld werden, zoals die van Rijswijk en Leut, of stroomafwaarts die van Werkhoven en Houten, en in Utrecht de Sint-Maartenskerk en de kapittelkerk van Oudmunster. Voor een reiziger uit het heidense Birka moeten zoveel kerken in een betrekkelijk klein gebied indruk hebben gemaakt. In Utrecht waren naast kerken ook de heilige plaatsen en de priesters te vinden die Rimbert noemde. In latere bronnen is zelfs sprake van 55 kerken, maar vermoedelijk is bij het overschrijven van een handschrift het Romeinse cijfer IV voor LV aangezien. Vier kerken is heel wat realistischer.
Ook de Utrechtse geestelijke Liudger zinspeelde erop dat Dorestad en Utrecht als een eenheid beschouwd werden door beide plaatsen in één adem binnen het bestuursgebied van abt Gregorius te noemen. In tweede instantie noemde hij pas het omliggende gebied en Frisia.


p> onderdeel bronzen
paardenbit (?), veilingterrein

ijzeren vleugellans, Rijswijk

Literatuur en bronnen:

Dekker, Het Kromme Rijngebied, 307-309, 366 e.v.

Heeringa, K. (ed.), Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 II ('s-Gravenhage 1940), no. 586, 737.

Kötzschke, R., Rheinische Urbare, Zweiter band: Die Urbare der Abtei Werden a.d. Ruhr (Bonn 1906), 73.

Lamcomblet, T.J. (ed.), 'Die Benedictiner-Abtei zu Deutz', Archiv für die Geschichte des Niederrheins 5 (Düsseldorf 1866), 251-497, speciaal 267.

Muller Fz., S. & Bouman, A.C. (eds.), Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 I (Utrecht 1920), no. 319, no. 331.

Waitz, G. (ed.), Vita Anskarii auctore Rimberto Anhang: Vita Rimberti. Scriptores rerum Germanicarum in usum scholarum separatim editi 55 (Hannover 1884), speciaal 45.


Als er met Dorestad soms meer dan alleen de handelsplaats bedoeld werd, dan moeten we de bronnen waarin we Dorestad vinden, met andere ogen bezien. Van een gebied dat Dorestad genoemd werd, is na de teloorgang van de handelsplaats aan het einde van de negende eeuw echter geen sprake. Toch kunnen we van deze streek wel sporen in latere bronnen terugvinden. Want in het stroomgebied van de Kromme Rijn vinden we vanaf de tiende eeuw de pagus Opgooi. Wijk, de opvolger van Dorestad, behoorde volgens een opsomming van de goederen van de abdij van Deutz - nauw verbonden met de Keulse kerk - die op een schenking van Otto III terug gaat tot deze gouw: Predium Wich in episcopatu Traiectensi et in pago Opgooi situm. Het is overigens opvallend dat de abdij van Deutz in de vroege elfde eeuw landgoederen in bezit had in Wijk, Werkhoven en Odijk, dus allemaal in Opgooi.

De naam Upgoa komt al voor in de goederenlijst van de abdij van Werden uit de tiende eeuw. In de twaalfde eeuw komen we graaf Theodricus van Upgoge of Upgoie tegen als getuige in twee oorkondes van de bisschop van Utrecht. In de dertiende eeuw treffen we zijn opvolgers aan als graaf van Goie of Goye. De naam van de gouw was inmiddels van Opgooi in Gooi veranderd.
Opgooi kende natuurlijke begrenzingen, namelijk de veenmoerassen van Langbroek en die van Schalkwijk, ondoordringbare gebieden die een groot deel van het jaar onder water stonden.
Plaatsen in het Kromme Rijngebied, zoals Wijk, 't Goy, Werkhoven, Odijk en Houten werden tot Opgooi gerekend, maar het bij Houten gelegen Vechten behoorde volgens een oorkonde uit 723 tot Nifterlake, de gouw in het stroomgebied van de Vecht - die oorspronkelijk in de buurt van Vechten van de Rijn aftakte - waarin we ook Muiden vinden. Daarmee lag de burcht en het kerkelijke centrum Traiectum vanzelfsprekend ook in Nifterlake, zoals een oorkonde uit 834 ook al aangeeft. Utrecht en omgeving leidde als civitas, als zetel van de moederkerk, echter een zelfstandig leven en zou zich tot een afzonderlijk graafschap ontwikkelen.

Gouwen werden door gouwgraven bestuurd, terwijl er in koningsgoederen als de burcht Traiectum en de handelsplaats Dorestad een afzonderlijke koninklijke ambtenaar was aangesteld. Er is wel verondersteld dat in sommige gevallen de naam gouw of gooi gebruikt werd om een samenhangend groot kroondomein aan te duiden dat niet door een graaf maar door eigen domeinambtenaren bestuurd werd. Dat kan voor Opgooi in het Kromme Rijngebied gegolden hebben, dat oorspronkelijk met deze naam onderscheiden werd van het stroomafwaarts gelegen Gooi, het Naardinkland. Zowel in Opgooi als Gooi vinden we behoorlijk wat koningsgoed.
De bezittingen van de Utrechtse kerk waren uitdrukkelijk aan het gezag van deze koninklijke ambtenaren onttrokken. Daardoor kromp het gezagsgebied van de graven in het Sticht met het toenemen van het kerkelijke bezit. Terwijl de graven van Holland en Gelre zich tot regionale potentaten konden ontwikkelen, zagen hun collega's in het Sticht hun bestuursgebied verbrokkelen en hun macht inkrimpen. Het is dan ook niet vreemd dat juist in het Kromme Rijngebied, waar de Utrechtse kerk veel bezittingen had, zich nauwelijks een gezagscentrum heeft ontwikkeld. Alleen door zich in dienst van de kerk te stellen, konden de graven in het Sticht hun positie nog enigszins handhaven. Want de bisschop had naast kerkelijke bezittingen veel grafelijke rechten verworven. De bisschop kon daardoor zelf ambtenaren aanstellen: bisschoppelijke graven die vaak ook meteen - maar niet noodzakelijk - voogd over kerkelijke goederen waren. Zo was bij de koninklijke schenking van de burcht Traiectum aan de kerk in 722 de koninklijke ambtenaar die vroeger over de burcht was aangesteld, vanzelf dienstman van de kerk geworden.

Opgooi gaat als gouwnaam niet zo ver terug als Nifterlake, maar het is aannemelijk dat er in het Kromme Rijngebied vanouds een rechtsgebied gevormd was dat ooit Dorestad genoemd werd. Sporen daarvan komen we nog tegen in een leenbrief uit 1340, waaruit blijkt dat het stadje Wijk en de woontoren Duurstede deel uitmaakten van een heerschap waaraan een hoog rechtsgebied was verbonden. In 1472 blijken de zo genoemde Gaasbeekse goederen, die het hele Kromme Rijngebied en een deel van de Utrechtse Heuvelrug besloegen, tot de burcht Duurstede te behoren. In dat jaar stond Antonie bastaard van Bourgondië de heerschap van Wijk bij Duurstede aan de kerk van Utrecht af.

Er gaat over het algemeen een sterk districtvormende kracht uit van parochies. Er zijn dan ook veel voorbeelden te vinden van kerkelijke indelingen die de gouwindeling hebben gevolgd, ook in het Sticht en het rivierengebied. Daardoor kunnen we met enige voorzichtigheid de grenzen van Opgooi vaststellen. Want de gouwindeling heeft in grote lijnen dezelfde indeling als de oorspronkelijke aartsdiakonaten. Dat is niet zo vreemd als we bedenken dat gouwen over het algemeen begrensd werden door moeilijk toegankelijke woeste gronden, terwijl de oorspronkelijke kerkelijke indeling op toegankelijkheid van (seend)kerken gebaseerd was.
In de elfde eeuw verdeelde de bisschop van Utrecht het kerkelijk rechtsgebied in aartsdiakonale districten en verdeelde die onder de proost van de dom en de proost van Oudmunster. De getrokken grenzen hebben een kerkhistorische achtergrond, gebaseerd op de aanwezigheid van eigenkerken van de dom of Oudmunster. De oerparochies of (seend-) districten waarin deze eigenkerken stonden werden aan de betreffende proost toegewezen. Deze districten zijn als dekenaten blijven voortleven. Daardoor kan worden aangenomen dat Wulven, Vechten en Oostbroek nog tot Nifterlake behoorden op grond van hun indeling bij de latere Utrechtse Sint-Nicolaasparochie. De rest van het Kromme Rijngebied kan tot Opgooi gerekend worden. Een uitzondering menen we te moeten maken voor Cothen dat kerkelijk onder Doorn - en daarmee het aartsdiakonaat van de dom - ressorteerde, maar ondanks deze indeling toch als een deel van Opgooi moet worden beschouwd vanwege de oorspronkelijk geïsoleerde ligging ten opzichte van Doorn. De parochie Cothen wordt overigens pas voor het eerst rond 1325 in de bronnen genoemd.
Rijswijk was in de elfde eeuw de enige plaats ten zuiden van de Rijn en de Lek die onder de kerkelijke rechtsmacht van de proost van Oudmunster werd gesteld en daarmee kerkelijk tot de Dorestadparochie behoorde. Alle andere plaatsen op de linker oever van deze rivieren vielen onder de oerparochies Elst van de Betuwe en Tiel van Teisterbant. Blijkbaar kunnen we Rijswijk en omgeving nog tot Opgooi rekenen.

Begin van de pagina

Startpagina