Dorestad

onthuld
Het landschap

Startpagina

de Lek bij Wijk bij Duurstede


In de vroege middeleeuwen werd de kuststrook in het westen door een uitgestrekt veengebied van de zandgronden in het oosten gescheiden. Dit hoogveen was een vrijwel ondoordringbare en onbewoonbare wildernis en vormde zo een natuurlijke barrière, die op sommige plaatsen doorbroken werd door rivieren die de verbinding tussen de kust en het achterland vormden. Juist op de splitsing van de Rijn en de Lek waren de mogelijkheden om de kust te bereiken optimaal.

Oeverwallen
In de Romeinse periode vormden de Nederrijn, de Kromme Rijn en de Oude Rijn de meest noordelijke Rijnarm, die bij Katwijk de zee in stroomde. Sinds het begin van onze jaartelling splitste zich nabij Wijk bij Duurstede een bescheiden zijtak, de Lek af. De grootte en daarmee het belang van deze aftakking was vanaf de Romeinse periode alsmaar toegenomen om in de negende eeuw de oorspronkelijke hoofdstroom te overvleugelen. Sindsdien bleef er van de noordelijke tak, de Kromme Rijn, niet meer over dan een onbelangrijke restgeul die in de twaalfde eeuw zelfs geheel werd afgedamd.
In de achtste eeuw ontstonden er bewoningskernen op de oeverwallen van de Kromme Rijn. Blijkbaar was het terrein van de stroomrug hoog genoeg opgeslibd om een min of meer veilige bewoning mogelijk te maken. Vroegere nederzettingen op oudere stroomruggen waren na de Romeinse periode verlaten omdat deze niet hoog genoeg lagen om de oprukkende vernatting van het milieu in de vroege middeleeuwen het hoofd te bieden. Bovendien kwamen de oudere stroomruggen te ver van de zich inmiddels verplaatste Rijn af te liggen. Een uitzondering hierop maakt de bewoning op De Geer, meer dan 500 meter van de rivier verwijderd, die continu bewoond bleef.

aanzicht van zandige stroomrugafzettingen


De Lek
Het gedeelte van de Lek bij Wijk bij Duurstede moet al rond het begin van de jaartelling ontstaan zijn, maar een forse toename van het debiet kwam pas enige eeuwen later op gang. Aan het begin van de achtste eeuw voer Bonifatius vanuit Engeland eerst naar Dorestad en vervolgens naar Utrecht. Hij moet via de blijkbaar bevaarbare Lek gekomen zijn. Als er later in die eeuw in een oorkonde sprake is van het oeverrecht op de Lek dan kon deze rivier - hier voor het eerst bij naam genoemd - toen op zijn minst door handelsschepen bevaren worden.
Via de Zoel, een niet meer bestaande waterweg tussen Zoelen en Zoelmond, stond Dorestad in verbinding met de Linge, die bij Tiel van de Waal aftakte.


Begin van de pagina

Startpagina