![]() |

|
|
politieke context |
De Utrechtse kerk beschikte over twee samenhangende goederencomplexen: de Bovenkerk met omliggend terrein en een als handelszone aan te duiden gebied in de noordelijke havenwijk. Deze tweedeling komen we ook tegen in een latere goederenlijst van de Utrechtse kerk. Daarin vinden we weer de door Karel de Grote geschonken Bovenkerk met toebehoren, terwijl er bovendien sprake is van de opbrengst van het tiende deel van wat vicus (handelsplaats) genoemd wordt. Vicus of Wik was de oorspronkelijke naam van de Benedenstad.
|
|
| begin van het Goederenregister van de Utrechtse kerk | Lijst van goederen van de Sint-Maartenskerk te Utrecht die ooit door
gelovigen aan de kerk zijn geschonken: In Dorestad de kerk die Bovenkerk genoemd wordt, met alle toebehoren, landerijen, velden, weiden, wateren, waterlopen, visrechten. Dat alles tezamen met de waard tussen de Rijn en de Lek die naast de kerk van Sint-Maarten gelegen is, en de waard bij Beusichem nabij het dorp Rijswijk. Dat alles behoort aan Sint-Maarten. Van de bovengenoemde handelsplaats behoort het tiende deel van alle goederen aan Sint-Maarten. […] In het dorp Rijswijk de kerk met de bijbehorende landerijen en drie andere hoeven. In Leut drie kerken met bijbehorende landerijen en zeven andere hoeven die van koninklijke tienden zijn vrijgesteld. |
het kasteel Duurstede, dat Gijsbrecht II van Zuylen van Abcoude of zijn vader Zweder omstreeks 1270 bouwde
|
Ook van het koningsgoed in Dorestad, dat niet aan de Utrechtse kerk was overgedragen, komen we aanwijzingen tegen. Want die bleken op den duur voornamelijk in handen van het Keulse aartsbisdom te zijn gekomen. Door de sleutelpositie die de Keulse bisschop Kunibert in de vroege zevende eeuw in het Frankische Rijk bekleedde, maakte de Keulse kerk al vroeg aanspraken op goederen in Dorestad. Maar de niet-aflatende steun aan de Utrechtse kerk van Bonifatius, die in de achtste eeuw in hofkringen zeer invloedrijk was, moet de macht van Keulen plaatselijk beperkt hebben. Aan de andere kant was de Keulse invloed blijkbaar nog zo groot dat de Utrechtse geestelijkheid zich niet in booming Dorestad heeft kunnen vestigen. Het ligt dan ook voor de hand dat schenkingen aan de Utrechtse kerk van goederen in Dorestad, zoals van de Bovenkerk, tot claims van de Keulse aartsbisschop hebben geleid.
De Nederhof Terwijl de Utrechtse kerk prominent in het gebied nabij de Steenstraat, op de Heul en in de Noorderwaard aanwezig was, blijkt het overgebleven koningsgoed zich te concentreren op de plaats waar later het stadje Wijk zou verrijzen. De vroonhof die de abdij van Deutz in de dertiende eeuw weer van de hand deed, vormde het middelpunt van dit koninklijk domein. Het hele complex zou uiteindelijk in handen van Gijsbrecht II van Zuylen van Abcoude komen, die er kort na 1300 zijn eigen stadje Wijk stichtte en het van een omwalling voorzag. De noordelijke vestingwal zal naar alle waarschijnlijkheid de zuidelijke begrenzing van de goederen van de Utrechtse kerk gevormd hebben. Gijsbrecht of zijn vader Zweder bouwde omstreeks 1270 ten zuidwesten van het te stichten stadje een versterkte woontoren, de vierkante kern van het kasteel Duurstede waarvan de resten nog altijd aanwezig zijn. Doordat de meeste mensen zich langzamerhand binnen de wal gingen vestigen, raakte de bewoningskern nabij de Steenstraat vrijwel geheel ontvolkt. Uiteindelijk zou ook de parochiekerk binnen de wal als Sint-Janskerk herbouwd worden. |
van het goederenregister van de Utrechtse kerk |
![]() |
|
![]() |
![]() |
|
|