Dorestad

onthuld
Laat-Merovingische beddingzone

Startpagina

terug naar het overzicht
van het noordelijke havengebied

benen glis


In de binnenbocht van de rivier sedimenteerden bij hoog water vrijwel horizontaal gelaagde rivierafzettingen tot 3,5m +NAP. Deze vlakte was door het rivierstrand van de feitelijke bedding gescheiden. In de zomer kwam het waterpeil ongeveer tot 3m +NAP, zodat dit vlakke deel van de bedding een groot deel van het jaar droog viel en alleen bij hoge waterstanden onder liep. Desondanks was dat modderig en meestal slecht toegankelijk.
Toen het terrein eenmaal hoog genoeg opgeslibd was, begon men de licht aflopende vlakte met kadeconstructies op te hogen, waarop bouwwerken opgericht werden. Die werden soms op de gebruikelijke manier geconstrueerd, dus met direct in de ondergrond ingegraven staanders waartussen wanden werden aangebracht. Maar vaker werd een andere constructie toegepast. Tijdens de opgravingen werden forse eiken palen teruggevonden die in tegenstelling tot de staanders van gebruikelijke vroegmiddeleeuwse behuizingen niet ingegraven, maar diep in de grond gedreven waren. De onderzijde van sommige palen zat op 1,5m +NAP. Dat betekent dat ze maar liefst 2,5 meter diep in de bodem geslagen waren, waartoe ze aan de onderzijde aangepunt waren. Ze staan heel anders gegroepeerd dan we kennen van de huisplattegronden uit de rest van Dorestad of andere plaatsen, namelijk in regelmatige patronen, in drie of vier rijen die een tot twee meter uit elkaar staan. De onderlinge afstand van de palen van een rij is anderhalf tot twee meter.

laat-Merovingische bebouwing in het beddinggebied

weefgewichten

w

w

w

rotstekening van een
paalwoning uit het Noord-Italiaanse Alpengebied (Valcamonica)


reconstructie van een spieker

Paalwoningen
De paalstructuren vinden we met name vooraan op de dammen, in de buurt van de oorspronkelijke oever. De palen die daar zijn teruggevonden, staan in patronen die opmerkelijke overeenkomst vertonen met die van spiekers. Dat zijn voorraadschuren voor graan of andere landbouwproducten die tegen optrekkend vocht en ongedierte op staanders vrij van de bodem stonden. Een gevulde spieker vormde een grote belasting voor de palen die de constructie moesten dragen. Die moesten dan ook extra zwaar worden uitgevoerd en diep in de bodem worden geslagen. Daardoor zijn spiekers in agrarische nederzettingen goed te onderscheiden van andere gebouwen. Er werd graan in opgeslagen, voornamelijk ten behoeve van eigen gebruik. Het oppervlak van dit soort opslagschuren bedroeg vaak minder dan tien vierkante meter, de vier of zes staanders stonden meestal niet verder dan twee meter van elkaar.
De meest voor de hand liggende reden om gebouwen in het beddinggebied van Dorestad op palen te plaatsen is niet in de eerste plaats vanwege optrekkend vocht, maar vooral om overlast door hoge waterstanden van de rivier te voorkomen. Op de dammen, dicht bij de oorspronkelijke oever, waren vermoedelijk ook conventionele gebouwen opgetrokken die niet op palen gefundeerd waren. Misschien dat het allereerste gedeelte van de dammen ook wat hoger lag dan de rest, waardoor het hoog waterprobleem beperkt bleef. Het kan natuurlijk ook dat men later door schade en schande wijzer was geworden.
Voorbeelden van paalwoningen vinden we in het Alpengebied, waar vanwege de jaarlijks sterk wisselende waterspiegel rond de meren al in de prehistorie huizen op palen gebouwd werden. Op veel plaatsen zijn daarvan goed geconserveerde delen in de natte ondergrond teruggevonden die niet alleen een beeld geven van de paalconstructie maar ook van de opbouw.
Lang is gedacht dat de damconstructies in het beddinggebied louter een comfortabele verbinding vormden tussen de nederzetting op de oeverwal en de schepen die op het rivierstrand afgemeerd lagen. De dammen zouden ongeschikt zijn voor een permanent verblijf, er konden hooguit tijdelijk goederen worden opgeslagen. Als dat zo is, dan zijn deze dammen met een breedte van zes tot zeven meter wel erg fors uitgevoerd. Voor een beperkt gebruik had men met aanzienlijk minder materiaal en arbeid kunnen volstaan. Soms gebeurde dat ook. De laatste dertig meter van een dam in de middelste opgravingslokatie Hoogstraat II was een nog geen twee meter brede pier die aan weerszijden met beschoeiingen verstevigd was. Deze was duidelijk alleen maar bedoeld als transportweg naar het rivierstrand.
De bredere dammen moeten een ruimere functie gehad hebben. De verzandende binnenbocht van de Rijn was niet zozeer een probleem dat ten koste van zoveel moeite zou zijn opgelost. Dan hadden de bewoners gemakkelijker naar een gunstiger rivieroever in de buurt kunnen omzien. De dammen dienden dan ook in de eerste plaats om voor een snel uitdijend handelskwartier land aan te winnen. Land waar een schreeuwende behoefte aan was om kaderuimte in te richten waarop pakhuizen en andere havenvoorzieningen gebouwd konden worden. De vele grondsporen duiden op een intensief gebruik van de ruimte. Blijkbaar was er een heuse nederzetting in het beddinggebied ontstaan. Het teruggevonden huishoudelijk afval, zoals gebruiksaardewerk en slachtafval, maakt duidelijk dat hier mensen woonden.
Het is geen toeval dat de havenuitbreidingen juist op het moment begonnen dat de langeafstandshandel in bulkgoederen goed op gang kwam en er van eenvoudige strandhandel allang geen sprake meer was. Want dit deel van de beddingzone is aan de hand van aardewerktypen voornamelijk gedateerd in de eerste helft van de achtste eeuw. Sceatta's uit het einde van de zevende en het begin van de achtste eeuw komen we wel in de nederzetting op de oorspronkelijke oever, maar vrijwel niet meer in het beddinggebied tegen.

Handelskade
De laat-Merovingische handelskade was vooral in het westelijke deel, nabij de oorspronkelijke oever, volgebouwd met de behuizingen en opslagplaatsen van de neringdoenden van het havengebied. De oostelijke zijde had een meer open karakter. Hier stonden nauwelijks gebouwen, zodat er ruimte was voor de opslag van goederen in de open lucht. Misschien sloegen er ook wel vreemde schippers hun tenten op. Hier waren de laad- en loskades te vinden die als rede dienst deden in de periode dat de landaanwinning van het Karolingische kadegebied nog niet bestond en dus direct aan de rivieroever lagen. Dit gedeelte van de dammen was nogal slordig opgebouwd, waarbij meerdere houtsoorten gebruikt waren. Er lijkt behoorlijk geÔmproviseerd te zijn.
Met bebouwing en een kade is de de laat-Merovingische beddingzone min of meer te beschouwen als een evenbeeld van de nederzetting op de oeverwal, met een havenfront dat in twee generaties enige tientallen meters naar het oosten was opgeschoven. Alleen een doorgaande havenweg lijkt te ontbreken, hoewel er waarschijnlijk wel dwarsverbindingen tussen sommige dammen ontstonden om marktactiviteiten mogelijk te maken. Want we kunnen naast bewoning in het kadegebied in de eerste plaats commerciŽle bedrijvigheid verwachten. Enkele toetssteentjes om edele metalen te keuren, een paar gewichtjes en een weegschaaltje, dit alles wijst op de aanwezigheid van kooplieden. Dat geldt ook voor twee muntschatten die in de dammen werden aangetroffen. Het is goed voorstelbaar dat kooplieden hun geld tijdelijk begroeven, veilig verstopt voor dieven en rovers. Dat zullen ze op hun eigen erf, bij voorkeur in de buurt van hun verblijf hebben gedaan. Vooral de vele scherven van importaardewerk maken duidelijk dat er in de beddingzone gedurende een langere periode goederen werden overgeslagen.
laat-Merovingisch kadegebied
van Hoogstraat I
Draaischijfaardewerk, voor het grootste gedeelte geÔmporteerd, maakt met een aandeel van 80% een overweldigende meerderheid van de aardewerkvondsten uit. Slechte een minderheid is handgevormd aardewerk, voor een deel van lokale afkomst. In de meeste nederzettingen ligt de verhouding net andersom.
Alle goederen werden met schepen aan- en afgevoerd. De tientallen teruggevonden bootshaken en vaarbomen wijzen op de vele scheepsmanoeuvres. In het havengebied zijn vanzelfsprekend ook sporen van scheepsbouw te verwachten. Toch zijn er betrekkelijk weinig scheepsnagels of andere tekenen van marine bedrijvigheid teruggevonden. Dat geldt ook voor schepen zelf, waarvan slechts een enkel wrak werd aangetroffen. De door de opgravers geopperde mogelijkheid dat de scheepsdelen secundair in de havenwerken gebruikt kunnen zijn, ligt niet erg voor de hand. De wrakstukken zaten diep in de bodem, ver onder het niveau van de dammen.
Aan de waterkant werd vanzelfsprekend ook gevist. Daarom is het niet vreemd dat er meer stenen gewichten in de beddingzone voorkwamen dan in de rest van Dorestad. Dergelijk gewichten, die meestal van hergebruikt Romeins bouwmateriaal waren, werden benut om visnetten of lijnen te verzwaren. Vissers konden met fuiken of vanaf de kades vissen of er met kleine bootjes op uit trekken. De vangst kon levend gehouden worden in viskaren, waarvan er een paar in de beddingzone zijn teruggevonden. Zowel de aangetroffen fuiken als de viskaren waren doorgaans van wilgentenen gevlochten.


scherven van reliŽfbandamforen

Naast handel en scheepvaart werden er in het kadegebied ook ambachtelijke activiteiten ontplooid. In de beddingzone werd over het algemeen hetzelfde nijverheidsafval aangetroffen als in de oeverzone, zoals metaalslakken, bewerkt been, gewei en barnsteen. Het is natuurlijk mogelijk dat handwerkers van de oorspronkelijke oeverzone hun afval in de rivier dumpten. Maar dat blijkt toch niet het geval, zoals vooral uit de zonering van de vele aardewerkscherven is af te leiden. Dat we niet met rommel van het oevergebied te maken hebben, wordt speciaal aanschouwelijk wanneer we naar de verspreiding van weefgewichten kijken. De concentratie van exemplaren uit de nederzetting op de oever komt overeen met die van het beddinggebied. Weefgewichten die intact zijn, werden zelfs meer in het beddinggebied teruggevonden dan op de oever, en die kunnen toch niet als afval beschouwd worden. Vooral in de laat-Merovingische beddingzone is de concentratie opvallend hoog. Er moeten dus wel ambachtelijke activiteiten in dit deel van het beddinggebied hebben plaatsgevonden.
Veel huishoudens beschikten over een slijp- en wetsteen om messen en allerlei gereedschappen scherp te houden. Die zijn dan ook overal teruggevonden. Professionele slijpstenen kwamen echter vooral in de beddingzone voor, vaak gecombineerd met een verhoogde concentratie metaalslakken. Daardoor is het heel aannemelijk dat er behalve in de oeverzone ook in de beddingzone metaalbewerking plaatsvond. Dat geldt ook voor nijverheid zoals barnsteenbewerking en fabricage van kammen en andere benen voorwerpen. Daarbij valt de grote hoeveelheid benen glissen op. In het beddinggebied was de concentratie van deze glijders zes maal zo groot als in de rest van het onderzochte deel van Dorestad. Misschien werden die in de winter onder transportsleeŽn op het ijs gebruikt.
Waarschijnlijk was er in ieder huishouden wel een maalsteen te vinden. Brokstukken van versleten exemplaren zijn overal in Dorestad teruggevonden. Fragmenten die geen slijtage vertonen, kunnen echter als verwerkingsafval beschouwd worden. Concentraties daarvan in zowel de oever- als de beddingzone verraden dat er steenhouwers actief waren die de ruwe halfproducten voor gebruik geschikt maakten. Misschien vervaardigden zij ook uit Romeins bouwmateriaal de stenen vijzels die op verschillende plaatsen zijn ontdekt.

Begin van de pagina

Startpagina