Dorestad

onthuld
Kadeconstructies in de beddingzone

Startpagina

terug naar het overzicht
van het noordelijke havengebied

maalsteen


In de tijd van Dorestad hadden rivieren in het laagland vrij spel. De noordelijke haven lag aan een binnenbocht van de Kromme Rijn waar de oeverwal een ideale vestigingsplaats voor varende handelslieden vormde. Naarmate er meer water via de Lek naar zee begon te stromen, nam het debiet in de Kromme Rijn juist af. Het gevolg daarvan was dat de bocht in de loop van de zevende eeuw naar het oosten begon te meanderen. De buitenbocht werd door de stroming uitgeschuurd, terwijl er in de binnenbocht juist zandige afzettingen sedimenteerden die een zo genoemde kronkelwaard vormden. Het is niet ondenkbaar dat menselijke activiteiten aan dit proces hebben bijgedragen. Het beetje stroming dat er nog in de binnenbocht was, werd afgeremd door in de rivier gebouwde havenconstructies, zodat het sedimentatieproces alleen maar versneld werd.
Het gevolg was dat schepen steeds verder van de oorspronkelijke oever af moesten meren en de lading over een vaak moeilijk begaanbare vlakte aan wal moest worden gebracht. Dat leverde ongemak op, maar bood ook kansen. Want aan het begin van de achtste eeuw was het handelsverkeer dermate toegenomen dat er in de rivierhaven een nijpend ruimteprobleem ontstond. En ruimte voor uitbreiding werd juist door de zich verplaatsende rivierbocht geboden. Daarom werden er maatregelen genomen om het ter beschikking gekomen terrein bruikbaar te maken.

toetssteentje



Landaanwinning
De bestaande kadestrook op de oever werd uitgebreid door eenvoudigweg een nieuwe beschoeiing voor de oude te plaatsen en de tussenliggende ruimte met grond op te vullen. Dit proces werd periodiek herhaald, waardoor de wal langzaam naar het oosten verschoof. Gezien de geringe uitbreiding - vaak minder dan een meter - die gerealiseerd werd, moet dat minstens jaarlijks herhaald zijn. De oude beschoeiingen van essenhouten paaltjes, waartussen vlechtwerk of planken, bleven gewoon zitten. Daardoor ontstond er een reeks van compartimenten die de opeenvolgende ontwikkelingsstadia vertegenwoordigen. Het opvullen van deze compartimenten gebeurde met riviersediment dat vlak voor de nieuwe beschoeiing uit de bedding werd weggeschept, maar ook uit de ruimte ernaast. Want de oever werd niet over de gehele lengte uitgebreid, zoals eerder bij de oorspronkelijke kadestrook gebeurde. De nieuwe aanwas werd integendeel perceelsgewijs uitgevoerd, waarbij links en rechts een ruimte van twee meter werd vrijgehouden. Daardoor staken de uitbreidingen als afzonderlijke dammen in de bedding, waarbij aan weerszijden beschoeiingen nodig waren om de zijkanten te verstevigen. Daarmee wijkt deze bouwwijze wezenlijk af van het eerste ontwikkelingsstadium van de haven. Bovendien werd de ene dam sneller uitgebreid dan de andere, waardoor de waterkant een grillig verloop moet hebben gehad. Misschien is men ook niet aan alle dammen tegelijk begonnen, maar dat is niet goed uit de opgravingsgegevens af te leiden.
De dammen werden aanvankelijk niet allemaal netjes parallel aan elkaar aangelegd. In een later stadium werd daar wel meer de hand aan gehouden en werden afwijkende dammen zelfs achteraf nog rechtgetrokken. Uiteindelijk groeiden de langste dammen - in het midden van de rivierbocht - tot een lengte van wel 200 meter. De oorspronkelijke hoogte van de damconstructies kon niet vastgesteld worden. Die was minstens een halve meter, maar kan evengoed een meter hoog geweest zijn.

Opstrekken van dammen
Bij hoog water begon de rivier de uit de bedding weggeschepte grond meteen weer met sediment aan te vullen. Terreinverbetering door ophoging van de rivieroever in combinatie met het periodiek aanbrengen van beschoeiingen kwam al in de Romeinse periode voor, bijvoorbeeld in Vechten en in Valkenburg (ZH). Maar op deze plaatsen moest de benodigde grond moeizaam van elders aangevoerd worden. De manier van landaanwinning in Dorestad door perceelsgewijs grond rond het einde van een kadeconstructie weg te scheppen is uniek. Het steeds maar weer verlengen van een bruikbaar areaal lijkt op de latere ontginningen in veengebieden, waarbij door het opstrekken van kavels lange, smalle landbouwpercelen ontstonden. Het initiatief van de landaanwinning ging uit van de grondheer, die daarmee zijn grondbezit liet toenemen. Het zo genoemde recht van aanwas was een koninklijk recht dat waarschijnlijk aan de grondheer was overgedragen. Het is goed denkbaar dat de benodigde werkzaamheden uitgevoerd werden door de afhankelijke handelaren en ambachtslieden die de kavels bevolkten.
In de noordelijke haven van Dorestad lagen er in veel gevallen twee dammen tegen elkaar aan, zodat de ruimte beter benut kon worden. Daardoor lag altijd minstens ÚÚn zijde van een dam vrij. Een enkele dam of het geheel van twee tegen elkaar gelegen dammen werd dus aan beide zijden geflankeerd door een lager gelegen strook die als afwateringskanaal dienst kon doen. Deze 'geul' was in het laatst aangelegde gedeelte bij bij hoge waterstanden van de rivier beperkt bevaarbaar. Althans door kleine bootjes, want de doorgang was niet erg groot. Bovendien werd door het nogal bochtige verloop van de dammen de reŰle vaarbreedte nog eens extra beperkt. Het oudere deel van de geul raakte geleidelijk opgevuld met afval en riviersediment, dat als een vervuilde laag werd teruggevonden. Op sommige plaatsen werd het verlandingsproces versneld door grondkeringen dwars in de geul te plaatsen, zodat het zo gewonnen terrein aan het nuttige kadegebied kon worden toegevoegd.
Tegen elkaar gelegen dammen werden onafhankelijk van elkaar uitgebreid, waardoor een flankerende beschoeiing tussen beide percelen noodzakelijk was, ook al werd die na uitbreiding van de naburige dam overbodig. Doordat de kadeconstructies niet allemaal tegelijk werden uitgebreid, staken sommige dammen tientallen meters uit ten opzichte van naburige dammen.

Verkaveling
Hoewel de gebouwen in de oeverzone niet op gelijke afstand van elkaar stonden, valt wel op dat ze steeds binnen perceelgrenzen vielen die aan het licht kwamen door de systematische aanleg van damconstructies in de rivierbedding. Deze bleken in het verlengde te liggen van een reeks percelen op de oeverwal. Deze bleken opmerkelijk regelmatig, haaks op de oever uitgezet met een breedte van ongeveer 9,30 meter. Waarschijnlijk streefde men naar een standaardbreedte van 30 voet. Uit de opgravingsgegevens springt de systematische perceelindeling direct in het oog. Daaraan werd over het algemeen strikt de hand gehouden, ook al moest er in de kromming van de rivierbocht soms geschipperd worden om de juiste breedte te kunnen handhaven. Behalve deze verdeling haaks op de rivier waren de percelen ook van elkaar gescheiden door grenzen die parallel aan de rivier liepen. De eerste parallelle begrenzing viel samen met de havenweg. Aan de rivierzijde daarvan begonnen de percelen nog op de oever, maar gingen zonder merkbare begrenzing over in die van het beddinggebied. Misschien hoorden ze bij elkaar, maar kavels die in elkaars verlengde lagen, hoeven niet noodzakelijkerwijs in handen van dezelfde gebruiker te zijn geweest. Erfafscheidingen en kuilen die zich tussen de percelen bevonden, wijzen in die richting.
Aan de landzijde strekten de kavels zich enige tientallen meters naar het westen uit. Het is goed denkbaar dat er achter deze westelijke begrenzing nog een rij percelen heeft gelegen. Sporen van perceelscheidingen kwamen bij onderzoek ten westen van de Zandweg aan het licht.
Behalve deze opmerkelijk regelmatige verkaveling valt ook de uniforme opzet van de percelen zelf op. In de oeverzone werd steeds een strook van twee meter langs de perceelgrenzen van bebouwing en dergelijke vrijgehouden. Die vrije strook zette zich voort in de beddingzone, waar ze tussen de daar opgeworpen damconstructies laaggelegen restruimtes vormden: de eerder genoemde geulen. De dammen kunnen we dan ook beschouwen als de verhoogde gedeeltes van de percelen in de beddingzone. Aan weerszijden van de voorste perceelsgrens die parallel aan de oever liep, werd eveneens een strook van twee meter vrijgehouden, waardoor er een vrije ruimte van vier meter voor de havenweg overbleef.
De oorspronkelijke oeverbeschoeiingen bleken al perceelsgewijs aangelegd te zijn. Daaruit kunnen we afleiden dat de percelen al tegen het einde van de zevende eeuw zijn ontstaan in een periode waarin de Franken en de Friezen elkaar in het rivierengebied bestreden. De handel lijkt echter niet onder het oorlogsgeweld geleden te hebben.
De planmatige en grootschalige aanpak maakt duidelijk dat de hele opzet niet door individuele handelslieden werd ge´nitieerd. We hebben eerder met een co÷rdinerende instantie te maken die de kavels uitgezet en uitgegeven heeft. De manier van uitgifte van percelen doet denken aan de agrarische domeinen waar grondheren hoeven uitgaven aan afhankelijke boeren die de grond gingen exploiteren Zo kunnen we het model van het vroegmiddeleeuwse hofstelsel toepassen op het noordelijke handelskwartier van Dorestad. Het agrarische model was hier aangepast aan de behoefte van handelaren en ambachtslieden, waardoor de kavels drastisch verkleind waren. Maar wie was de grondheer? We moeten denken aan vertegenwoordigers van de pro-Frankische lokale bezittende klasse. Maar ook de Frankische aristocratie kan bij de exploitatie betrokken zijn geweest. Mogelijk waren de heren van De Geer de initiatiefnemers of er op zijn minst bij betrokken.
Dorestad lag in het overgangsgebied van de klassieke domeinen in het geromaniseerde zuiden, waar het hofstelsel volop tot ontwikkeling was gekomen, en de Friese kuststreken, waar veeboeren meer onafhankelijk van domeinheren in hun levensonderhoud voorzagen. De opzet van het noordelijke havengebied vertoont daardoor niet alleen elementen van het hofstelsel, maar getuigt ook van Friese invloeden. Een regelmatige rij percelen die langs een vaarwater gerangschikt zijn, wordt nogal eens als Fries aangeduid. Dergelijke Einstra▀enanlagen (eenstraatsnederzettingen) vinden we echter op veel plaatsen in Noordwest-Europa. De Londense Strand is er een mooi voorbeeld van. Misschien dat dergelijke langwerpige nederzettingen meer tot een algemene Noordzeecultuur gerekend moeten worden, dan dat ze speciaal Fries zijn.

schematische weergave
van de verkaveling
van het havengebied

Begin van de pagina

Startpagina