Dorestad

onthuld
Oeverbebouwing in het noordelijke havengebied

Startpagina

terug naar het overzicht
van het noordelijke havengebied

zilveren sceatta


Op de oeverwal op de linker oever van de Rijn kunnen we een bewoonde zone en een los- en laadwal herkennen, die door een havenweg van elkaar gescheiden waren.
De bewoonde zone bestond uit een reeks gelijkvormige erven die voor het merendeel bebouwd waren. Daardoor ontstond het karakter van een lintbebouwing langs de oever van de rivier. De huizen hadden een rechthoekige plattegrond met een lengte die varieerde van tien tot vijftien meter, terwijl ze een breedte hadden van vijf tot zes meter. Ze stonden allemaal opmerkelijk parallel aan elkaar, met een korte wand op de rivieroever gericht. De rechte wanden waren opgetrokken met staanders die ongeveer een meter of iets meer van elkaar in de grond waren ingegraven. Afdrukken in de grond van dunne staken doen vermoeden dat er in ieder geval bij een deel van de huizen met leem dichtgesmeerde vlechtwerkwanden tussen de staanders bevestigd waren. In het midden van de korte wand die naar de oever toe gekeerd was, zaten soms deurposten die een meter van elkaar stonden.
bronzen sleutel


Sommige huizen stonden met hun voorzijde vrijwel direct tegen de havenweg aan, maar ze konden er ook een meter of zes vandaan liggen, zodat er een voorhof ontstond. Er zijn meerdere huisplattegronden door elkaar heen gevonden. Blijkbaar hebben we met verschillende bewoningsfasen te maken.

Op de huiserven zijn tientallen kuilen aangetroffen. Die ontstonden in de eerste plaats omdat men grond nodig had om het erf of de vloer binnenshuis op te hogen of om er vlechtwerkwanden mee dicht te smeren. Een enkele keer hebben we met een waterput te maken, maar de kuilen kunnen ook dienst hebben gedaan als latrine of als werkkuil van bijvoorbeeld een smid.
Behalve keukenafval, zoals een enkele scherf en wat botten, zijn er in de oeverzone resten gevonden van allerlei nijverheidsactiviteiten, zoals weefgewichten, spinsteentjes, metaalslakken, bewerkt been en gewei. Blijkbaar werden er in deze zone allerlei ambachten bedreven.
Het oorspronkelijke Karolingische loopvlak op de oeverwal heeft op ongeveer 5m +NAP of iets hoger gelegen. Dat is op veel plaatsen bij benadering de hoogte van het huidige maaiveld.
de bebouwde oeverzone
met op de voorgrond de met
hout geplaveide havenweg

Havenweg
Ten oosten van de bebouwing liep langs de rivieroever een minstens twee meter brede havenweg. Van deze weg is het wegdek zelf niet teruggevonden, maar het tracÚ is herkenbaar door een sporenarme zone met een breedte van bijna vier meter. Daarbinnen ontbreken kuilen en andere bewoningssporen, terwijl die aan weerszijden van de weg in grote hoeveelheden voorkomen. Wel liepen er afwateringssloten onder de weg door die waarschijnlijk door planken overbrugd werden. Van een dergelijke houten vlonder is in het meest noordelijke opgravingsterrein (Hoogstraat 0) een stuk teruggevonden. Die lag over het laagste gedeelte van een plaatselijke depressie in de oeverwal, die ter plekke een meter lager bleek dan op de andere onderzochte plaatsen. Het is zeer goed denkbaar dat de gehele havenweg met hout geplaveid was en daardoor een soort knuppelweg vormde. Aan de rivierzijde van de weg werden rijen paaltjes aangetroffen. Die kunnen deel van de ondersteuningsconstructie van de weg hebben uitgemaakt, maar we kunnen hier evengoed met resten van erfafscheidingen te maken hebben.

Los- en laadwal
Tussen de havenweg en de rivierbedding bevond zich een oeverstrook die door beschoeiingen van het rivierstrand afgescheiden was. De bovenkant van de beschoeiingspaaltjes reikten tot 3m +NAP, tot de normale waterstand in het vaarseizoen. Het horizontale deel van de oeverstrook aan de oostzijde van de havenweg was aanvankelijk slechts enkele meters breed, maar werd door ophoging van de zacht glooiende natuurlijke oever tot tien meter of meer verbreed. De opgebrachte grond werd op de steil gemaakte oever op zijn plaats gehouden door grondkeringen in de vorm van aangepunte elzen paaltjes met daartussen vlechtwerk van wilgenhout. De grondkeringen waren perceelsgewijs aangelegd. Blijkbaar was iedere gebruiker verantwoordelijk voor zijn eigen gedeelte, dat mogelijk door erfafscheidingen van naburige percelen afgebakend was.
Het terrein van deze als los- en laadwal op te vatten strook kenmerkt zich door de vele grote kuilen die erin gegraven waren, een teken van intensief gebruik. We moeten ons deze wal echter niet voorstellen als een kade, waarlangs schepen konden afmeren. Die trok men eenvoudigweg op het rivierstrand dat direct aan deze wal grensde, om geladen en gelost te worden.
We kunnen de aanpassing van de wal als het eerste stadium van de ontwikkeling van de rivierhaven beschouwen. De oorspronkelijke beschoeiing is plaatselijk in het midden van de zevende eeuw gedateerd. Die stamt dus uit de beginperiode van Dorestad, toen er alleen nog maar van strandhandel sprake was. Een visfuik die in de rivierbedding werd aangetroffen en even oud als deze beschoeiingen bleek, geeft aan dat we met een heuse oeverzone te maken hebben die ook echt als zodanig in gebruik was. Sommige palen die waarschijnlijk steigers op de oorspronkelijke oever ondersteunden, wijzen eveneens in die richting.


Koolstofdatering en jaarringenonderzoek
Het vroege gebruik van de oeverzone wil echter nog niet zeggen dat de handelsnederzetting op de oeverwal ook zo oud was. Verschillende aardewerktypen en koolstofdatering van houtmonsters duiden vooral op bewoning in de late zevende eeuw, maar ze geven slechts een ruwe indicatie van de ouderdom van de nederzetting. Uit jaarringenonderzoek bleek de kapdatum van het hout van de oudste waterput in de achterliggende nederzetting op De Heul uit 685. Het betreft hout van hergebruikte wijnvaten, zodat de put zelf nog enkele jaren later moet zijn aangelegd. Aanvullende gegevens voor datering leveren losse vondsten van sceatta's, zilveren muntjes uit de late zevende en eerste helft van de achtste eeuw.
Over het geheel genomen ontstaat de indruk dat de handelsnederzetting in de oeverzone voornamelijk tegen het einde van de zevende eeuw tot ontwikkeling kwam, ook al heeft er waarschijnlijk al wat eerder enige bebouwing gestaan. Bijvoorbeeld van de visser die de bovengenoemde fuik had geplaatst of van enkele boeren die voor de nieuwe handelsnederzetting het veld moesten ruimen.


het onderzochte gebied in Wijk bij Duurstede,
rechtsboven de opgravingen Hoogstraat 0, IV, II, I en III
Begin van de pagina

Startpagina