Dorestad

onthuld
Gouden Eeuw

Startpagina

overzicht van de
politieke context

hoefijzer


De grootste bloei van Dorestad kwam na het aantreden van de Karolingische vorsten, halverwege de achtste eeuw. De tweede helft van die eeuw, tijdens de regeringsperiode van Pippijn de Korte en zijn zoon Karel de Grote, kunnen we dan ook als de 'Gouden Eeuw' van Dorestad beschouwen. Het Frankisch-Friese strijdtoneel was toen al ver naar het noorden verschoven, maar Dorestad bleef een intermediaire functie behouden. Nu niet tussen twee machtssferen, maar tussen twee handelssferen: die van de Noordzeehandel en de handel met het Frankische achterland. De eens zo bescheiden ontmoetingsplek op het rivierstrand was uitgegroeid tot 'een zeer rijke handelsplaats' waar de handel bloeide als nooit tevoren. Een van de belangrijkste oorzaken van die bloei was de directe koninklijke bemoeienis. De Frankische koningen gaven het handelscentrum een impuls door de handel op allerlei manieren te bevorderen. De bewoners vonden er vooral veiligheid, waardoor permanente vestiging van kooplieden in de hand werd gewerkt.

Koninklijke ambtenaren
Er werd een grenstol ingesteld, waardoor Dorestad enigszins een grenskarakter bleef behouden. Net als in Quentovic aan de Kanaalkust en verschillende handelsnederzettingen rond de Noordzee zetelde er een wikgraaf of prefect. Deze was de plaatselijke vertegenwoordiger van de koning en had als de hoogste instantie van de handelsplaats vele bevoegdheden. In Dorestad werden deze koninklijke ambtenaren 'rijksgemachtigden' genoemd. Zij inden tollen, belastingen en boetes en hadden controle over de koninklijke munt. Waarschijnlijke was hun residentie, het administratieve centrum van de vertegenwoordiger van de koning, in de burcht in de oude kern van Dorestad gevestigd. In veel andere plaatsen werd zo'n bestuurlijke functie meestal met een kerkelijke gecombineerd. Maar deze activiteiten bleven tussen Dorestad en Utrecht verdeeld. Waarschijnlijk heeft de oppositie van een machtige lokale elite de verplaatsing van bestuurlijke functies naar Utrecht kunnen verhinderen. Want plaatselijke of misschien ook Frankische grondbezitters hadden al een aanzienlijk belang in de handelsplaats verworven. Daarom betrokken de Frankische vorsten de Utrechtse kerk bij de exploitatie van Dorestad. Zo konden ze zelf een vinger in de pap houden nadat veel goederen in handen van de aristocratie waren overgegaan. Daarmee droegen de opbrengsten van de inmiddels omvangrijke kerkelijke domeinen in niet geringe mate bij aan de handelsactiviteiten in Dorestad.

impressie van het havengebied van Dorestad
Begin van de pagina

Startpagina