Dorestad

onthuld
De Geer

Startpagina

verguld zilveren mantelspelden

Ten noordwesten van de oude kern van Dorestad werden op De Geer nederzettingsresten aangetroffen op een oeverwal van een in de vroege middeleeuwen niet meer actieve rivierarm die het hoogste punt van de omgeving vormde. Er zijn geen aanwijzingen dat de 500 meter oostelijker gelegen oeverwal van de Kromme Rijn, waarop de noordelijke havenwijk ontstond, voor de zevende eeuw bewoond is geweest. Toen deze nog niet hoog genoeg was opgeslibd, moet bewoning op de oudere oeverwal van De Geer zijn geconcentreerd. Het gebied tussen beide oeverwallen was een onbewoonde natte laagte.

Analyse van aardewerkscherven en andere vondsten, zoals vele tientallen broches die op De Geer gevonden zijn, toont aan dat deze nederzetting vanaf de late Bronstijd tot in de Karolingische periode bewoond is geweest en daarna verlaten werd. In tegenstelling tot het nabij gelegen terrein van De Horden was er ook in de late Romeinse periode bewoning, waarschijnlijk met een korte onderbreking in de late derde eeuw.
De hoge ligging speelde al vroeg een belangrijke rol, waardoor De Geer niet langdurig onbewoond bleef, zoals bij veel andere plaatsen in het rivierengebied wel het geval was. Want de opzet van de Romeinse bebouwing - net zo georiŽnteerd als op De Horden - lijkt het uitgangspunt van de nederzetting van de nieuwkomers die op De Geer een bestaan probeerden op te bouwen. Blijkbaar maakten zij zoveel mogelijk gebruik van de nog aanwezige Romeinse infrastructuur.
Door de langdurige bewoningsgeschiedenis zitten de verschillende nederzettingssporen dicht bij elkaar. Afzonderlijke huisplattegronden zijn daardoor moeilijk te onderscheiden, maar een agrarische gemeenschap als geheel is wel herkenbaar. Aan de hand van de positie van kuilen is soms bij benadering de grootte van afzonderlijke gebouwen te bepalen doordat die vaak langs de kopgevels lagen. Er moeten een handvol hoeven gestaan hebben, min of meer parallel aan de lengteas van de oeverwal.

knikpot met radstempelversiering

bronzen plaatfibula

Systeem van verdedigingsgreppels
De bebouwing stond binnen een omvangrijk greppelsysteem die in de Karolingische periode een terrein van 85x380 meter omsloot dat gedeeltelijk op de oeverwal en gedeeltelijk op de verlandde rivierbedding lag. De ruime afmetingen van de greppels die soms meer dan twee meter breed en gemiddeld anderhalve meter diep waren, doen een verdedigende functie vermoeden. In dat geval vormden de greppels droge of misschien watervoerende grachten. Op sommige plaatsen werd zelfs een stelsel van drie greppels gevonden, hoewel we niet weten of deze tegelijkertijd gefunctioneerd hebben. Met de uitgegraven grond werd waarschijnlijk een wal gevormd, maar hier zijn geen resten van teruggevonden. Het terrein bestond uit twee delen die iets ten opzichte van elkaar gedraaid waren. Het noordelijke deel was 220 meter en het zuidelijke 160 meter lang. Op de plaats waar beide delen aan elkaar grensden, bevonden zich de bovengenoemde Romeinse resten. Een greppel die aan de zuidwestelijke zijde op 65 meter afstand parallel aan het terrein liep, moet bij de hele opzet gehoord hebben. Aan de zuidoostelijke zijde omsloot een greppelsysteem een soort voorterrein waar we een toegangspoort van het complex kunnen vermoeden. Ook op twee andere plaatsen zijn aanwijzingen voor toegangen gevonden.
De jongste scherven in de greppels waren van late Badorf- en vroege Pingsdorfpotten uit de tweede helft van de negende of de vroege tiende eeuw. Het ziet er dus naar uit dat de greppels nog tijdens de eindfase van Dorestad gefunctioneerd hebben.
Door de relatief hoge ligging is veel van de bovenste cultuurlaag door landbouwactiviteiten verloren gegaan. Resten van begravingen werden vlak onder het huidige maaiveld aangetroffen. Er moet dus minstens een halve meter grond verdwenen zijn. Daardoor zijn de graven grotendeels vernield en zijn bijgiften verspreid geraakt. Daartoe behoorden gouden sieraden die de voorname positie van de begraven personen doen vermoeden. Ook enige gouden munten die elders op De Geer werden aangetroffen, benadrukken de positie van de bewoners. De rijke vondsten maken het aannemelijk dat er al in de zesde en zevende eeuw edellieden met uitheemse contacten hebben gewoond. Maar ook vondsten uit de Romeinse periode doen elitebewoning vermoeden.



bronzen gesp

Vluchtburcht of domeincentrum?
Na de Karolingische periode werd De Geer verlaten. Bewoning lijkt gelijktijdig met die van het grootste gedeelte van de nabijgelegen noordelijke havenwijk te zijn opgehouden. Mede door die naburige ligging lijkt een verband tussen beide nederzettingen aannemelijk.
Was De Geer de 'tamelijk grote hofstede' waar Friese kooplieden volgens een annalenbericht uit 863 tevergeefs hun toevlucht hadden gezocht? De versterking op De Geer zou dan hebben gediend als een vluchtburcht voor de bevolking van Dorestad, net zoals de Hochburg dat was voor het nog niet omwalde Hedeby (Haithabu) of de Hammaburg voor de handelsnederzetting Hamburg. Ook bij het Zweedse Birka was zo'n vluchtburcht, waarvan bisschop Rimbert van Hamburg-Bremen schreef dat de bewoners en handelaren hier tijdens een aanval bescherming zochten. Voor De Geer is echter geen enkele aanwijzing die het gebruik als vluchtburcht zou kunnen rechtvaardigen. De versterking duidt er in samenhang met de bijzondere vondsten die hier gedaan zijn eerder op dat we met een curtis, een domeincentrum van een edelman te maken hebben. Die werden wel meer van een versterking voorzien in de vorm van een omwalling met een palissade en grachten.
Binnen het oostelijke deel van het greppelsysteem stond een gebouw van 22 bij 10 meter met een bijzondere plattegrond. Vermoedelijk hebben we met het verblijf van de domeineigenaar te maken, of op zijn minst van diens meier. Het hout van de tonnen die als wanden van naburige waterputten gebruikt waren, kon gedateerd worden tussen de vroege achtste en het midden van de negende eeuw. Binnen het westelijke deel was een grote bootvormige boerderij, zoals die ook op De Heul zijn teruggevonden. Het gebouw had een plattegrond van van 9 bij 25 meter.

De Geer bleef lange tijd onbewoond. Pas zo'n driehonderd jaar later, halverwege de dertiende eeuw verrees er een moated site, een omgrachte hofstad met een bakstenen toren en een boerderij. De oostelijke begrenzing viel precies samen met een van de Karolingische verdedigingsgreppels.

Begin van de pagina

Startpagina