![]() |

|
|
|
Ten noordwesten van de oude kern van Dorestad werden op De Geer nederzettingsresten aangetroffen op een oeverwal van een in de vroege middeleeuwen niet meer actieve rivierarm die het hoogste punt van de omgeving vormde. Er zijn geen aanwijzingen dat de 500 meter oostelijker gelegen oeverwal van de Kromme Rijn, waarop de noordelijke havenwijk ontstond, voor de zevende eeuw bewoond is geweest. Toen deze nog niet hoog genoeg was opgeslibd, moet bewoning op de oudere oeverwal van De Geer zijn geconcentreerd. Het gebied tussen beide oeverwallen was een onbewoonde natte laagte.
Analyse van aardewerkscherven en andere vondsten, zoals vele tientallen broches die op De Geer gevonden zijn, toont aan dat deze
nederzetting vanaf de late Bronstijd tot in de Karolingische periode bewoond is geweest en daarna verlaten werd. In tegenstelling tot het
nabij gelegen terrein van De Horden was er ook in de late Romeinse periode bewoning, waarschijnlijk met een korte onderbreking in de late
derde eeuw. |
![]() |
bronzen plaatfibula |
![]()
Systeem van verdedigingsgreppels
| ![]() |
|
Vluchtburcht of domeincentrum? Na de Karolingische periode werd De Geer verlaten. Bewoning lijkt gelijktijdig met die van het grootste gedeelte van de nabijgelegen noordelijke havenwijk te zijn opgehouden. Mede door die naburige ligging lijkt een verband tussen beide nederzettingen aannemelijk. Was De Geer de 'tamelijk grote hofstede' waar Friese kooplieden volgens een annalenbericht uit 863 tevergeefs hun toevlucht hadden gezocht? De versterking op De Geer zou dan hebben gediend als een vluchtburcht voor de bevolking van Dorestad, net zoals de Hochburg dat was voor het nog niet omwalde Hedeby (Haithabu) of de Hammaburg voor de handelsnederzetting Hamburg. Ook bij het Zweedse Birka was zo'n vluchtburcht, waarvan bisschop Rimbert van Hamburg-Bremen schreef dat de bewoners en handelaren hier tijdens een aanval bescherming zochten. Voor De Geer is echter geen enkele aanwijzing die het gebruik als vluchtburcht zou kunnen rechtvaardigen. De versterking duidt er in samenhang met de bijzondere vondsten die hier gedaan zijn eerder op dat we met een curtis, een domeincentrum van een edelman te maken hebben. Die werden wel meer van een versterking voorzien in de vorm van een omwalling met een palissade en grachten. Binnen het oostelijke deel van het greppelsysteem stond een gebouw van 22 bij 10 meter met een bijzondere plattegrond. Vermoedelijk hebben we met het verblijf van de domeineigenaar te maken, of op zijn minst van diens meier. Het hout van de tonnen die als wanden van naburige waterputten gebruikt waren, kon gedateerd worden tussen de vroege achtste en het midden van de negende eeuw. Binnen het westelijke deel was een grote bootvormige boerderij, zoals die ook op De Heul zijn teruggevonden. Het gebouw had een plattegrond van van 9 bij 25 meter. De Geer bleef lange tijd onbewoond. Pas zo'n driehonderd jaar later, halverwege de dertiende eeuw verrees er een moated site, een omgrachte hofstad met een bakstenen toren en een boerderij. De oostelijke begrenzing viel precies samen met een van de Karolingische verdedigingsgreppels. | ![]() |
![]() | ![]() |
|
|