Dorestad

onthuld
Franken en Friezen

Startpagina

overzicht van de
politieke context

zilveren sceatta van het type 'continentaal runen',
afkomstig van het veilingterrein

Ontluikende handelsplaats
Luxe, soms exotische goederen of de grondstoffen daarvoor werden dikwijls over grote afstanden verhandeld. Deze goederen werden op de grens van twee handelssferen uitgewisseld. In zo’n grensgebied werd een herkenbare plaats uitgezocht met een duidelijk herkenningspunt in het landschap voor de handelaren die elkaar ontmoetten. Dat waren in het rivierengebied vooral de resten van oude Romeinse castella. Die moeten indruk hebben gemaakt op de schippers die de Rijn bevoeren.

De rivieroevers bij het fort Duristate moeten voor kooplieden een ideale ontmoetingsplaats in het grensgebied van de Franken en de Friezen geweest zijn. Ze vormden een beach market die van alle kanten uitstekend bereikbaar was. Stroomopwaarts kon over de Rijn het economisch belangrijke Frankische achterland bereikt worden. De Lek stond via binnenwateren met de Maasmonding in verbinding. Over de Kromme Rijn konden de Oude Rijn en de Vecht bereikt worden, rivieren die toegang gaven tot het Friese kustgebied en de Noordzee. Waarschijnlijk was er via de Zoel, een niet meer bestaande waterweg tussen Zoelen en Zoelmond, een directe verbinding met de Linge. De Zoel die we in 789 als Solina tegenkomen, was in de Karolingische periode nog actief.(1)
Het is goed denkbaar dat zich bij Duristate eerst een nederzetting ontwikkelde die niet permanent bewoond werd. Want handelsvaart vond vooral tijdens de zomermaanden plaats en ambachtelijke nijverheid moet er aanvankelijk hooguit op zeer beperkte schaal hebben plaatsgevonden. Bij een vuur op het rivierstrand moeten de kooplieden informatie hebben uitgewisseld en handel met elkaar hebben gedreven. Ook al leek het nog maar weinig op een reguliere markt, deze ontmoetingsplaats vormde toch het allereerste begin van de fameuze handelsplaats Dorestad. Er werden relaties aangeknoopt en geschenken uitgewisseld, nieuwtjes en andere wetenswaardigheden gingen rond en natuurlijk werd er bovenal handel gedreven. (2) De vondsten die in de Rijswijkse Buitenpolder opgebaggerd werden, wettigen de conclusie dat er na het vertrek van de Romeinen pas vanaf de vroege zevende eeuw plaatselijk bewoning kan zijn geweest.(3) Vooral aardewerk uit de late Merovingische periode is opvallend ruim vertegenwoordigd. De teruggevonden munten – voornamelijk Friese sceatta’s en een enkele Merovingische denarius – kunnen in de eerste helft van de achtste eeuw gedateerd worden.(4) Teruggevonden menselijke beenderen doen ter plaatse een grafveld vermoeden, ook al is dat niet te dateren. Het aangetroffen aardewerk komt uit een iets eerdere periode dan de vroegste vondsten uit de noordelijke nederzetting van Dorestad die rond het midden van de zevende eeuw opkwam.

Radbod
Het belang van de Rijndelta nam aan het begin van de zevende eeuw toe met de opkomst van het oostelijke deel van het Frankische Rijk. Want in onze rivierenstreek grensde de handelssfeer van het Frankische kernland aan die van het Noordzeegebied. Het is dan ook begrijpelijk dat de Frankische machthebbers Dorestad als knooppunt in de Rijndelta wilden beheersen. Ze concentreerden zich op deze havenplaats die naar hun smaak te veel onder Friese invloed was geraakt. Dorestad viel dan ook al snel in Frankische handen. Dat kunnen we bijvoorbeeld afleiden uit de muntslag van uit het Maasgebied afkomstige Frankische muntmeesters, zoals Madelinus. Zij sloegen gouden munten met het opschrift DORESTAT die overal in Europa zijn teruggevonden.
In deze vroege fase speelde de machtspolitiek van invloedrijke personen uit het oostelijke deel van het Frankische Rijk, zoals de Keulse bisschop Kunibert, een belangrijke rol bij de frankisering van Dorestad.

Toen halverwege de zevende eeuw het Frankische Rijk door interne machtsstrijd verzwakte, namen de Friezen hun kans waar en wisten Dorestad in handen te krijgen. De Frankische muntslag stopte, maar van een inkrimping van commerciële activiteiten was geen sprake. De handel bleef ondanks oorlogshandelingen en machtswisselingen als vanouds floreren. In 687 keerden de kansen toen de krachtige Frankische hofmeier Pippijn van Herstal de feitelijke macht over het gehele Frankische Rijk aan zich trok. Meteen richtte hij zijn aandacht op Dorestad, waar hij de Friese 'koning' Radbod versloeg. De Franken kregen het handelscentrum opnieuw in handen.

bronzen balansarm uit het noordelijke havengebied (Hoogstraat IV)


Bonifatius
Na de dood van Pippijn in 714 raakte het Frankische Rijk zo verdeeld dat de Friezen kans zagen het hele rivierengebied, inclusief Dorestad, te heroveren. Kort daarop, in de zomer van 716, voer de Angelsaksische geestelijke Bonifatius met een vrachtvaarder naar het door de Friezen bezette Dorestad, waar hij enige dagen verbleef voordat hij verder reisde. Hij kon met eigen ogen vaststellen dat het hele rivierengebied stevig in Friese handen was. Maar het jaar daarop kon Pippijns zoon Karel Martel aan het hoofd van de Frankische adel orde op zaken stellen. Een van zijn eerste wapenfeiten was, in navolging van zijn vader, de verdrijving van de Friezen - en nu voorgoed - uit Dorestad en het rivierengebied. Die Friezen, dat waren de Friese machthebbers en niet de Friese kooplieden en vrachtvaarders uit het veroverde gebied. Want ondanks de met vlagen oplaaiende strijd en de wisselende overheersing van Dorestad ging de handel onverminderd voort. 'De kerken van Christus zijn nu grotendeels verwoest en vernietigd', stelde de biograaf van Bonifatius verbitterd vast. Maar Dorestad leek niet geleden te hebben. De handel bleef ondanks alle oorlogshandelingen doorfunctioneren, het bleef business as usual. Sterker nog, in het laatste kwart van de zevende eeuw vond een eerste aanzet tot de bouw van de noordelijke handelswijk in de Benedenstad plaats. Er werd een begin met de aanleg van de kadewerken gemaakt, alsof er geen sprake was van enig oorlogsgeweld.

gouden
pseudo-Madelinus

1. Henderikx, 'The Lower Delta', 511.
2. Theuws, De sleutel van Sint Servaas, 14-15.
3. Van Es & Verwers, 'Early Medieval settlements', 20.
4. De sceatta’s komen overwegend uit het noorden van ons land, uit de periode 710-750, twee Merovingische denarii zijn gedateerd tussen 720-740 (Op den Velde, 'Sceatta's', 14 e.v.).

Begin van de pagina

Startpagina